Uitspraak
,
Procedure
Verzoek en verweer
Beoordeling
Beslissing
16 december 2014, om 13.00 uur;
drie maandenna de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.
Rechtbank Den Haag
De kinderrechter van de rechtbank Den Haag behandelde op 18 september 2014 een verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 1997. De Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg hadden verzocht om een gesloten plaatsing wegens ernstige zorgen over de ontwikkeling en het functioneren van de minderjarige.
De minderjarige vertoonde een zorgelijke gedragsontwikkeling, had geen school meer sinds juni 2014, verkeerde in contact met antisociale jongeren en had een beperkt verstandelijk vermogen. De moeder had zelfs aangifte tegen hem gedaan. De vader toonde onvoldoende invloed en bagatelliseerde de problemen. De minderjarige zelf wilde niet meewerken aan hulpverlening en dreigde weg te lopen uit open instellingen.
De kinderrechter concludeerde dat de gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn en dat een gesloten plaatsing noodzakelijk is om de minderjarige tegen zichzelf en zijn omgeving te beschermen. De machtiging werd verleend voor een kortere periode dan verzocht, namelijk van 18 september tot 18 december 2014, met aanhouding van het verdere verzoek wegens onvoldoende zicht op de benodigde termijn.
De minderjarige werd bijgestaan door een advocaat die pleitte voor afwijzing van de gesloten plaatsing en voorkeur gaf aan ambulante hulp en begeleiding door een gespecialiseerde organisatie. De kinderrechter achtte echter de gesloten plaatsing als ultimum remedium noodzakelijk gezien de ernst van de situatie.
Uitkomst: De kinderrechter machtigt een gesloten plaatsing van de minderjarige voor drie maanden en stelt hem onder toezicht van Bureau Jeugdzorg.