Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
AWB 13/23373 (voorlopige voorziening)
[naam eiseres 1]
[naam eiser 1],
[naam eiseres 2],
geboren op[geboortedatum eiseres 2], eiseres 2
[naam eiseres 3],
geboren op [geboortedatum eiseres 3], eiseres 3
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Eiser 1 is in augustus 1986 Nederland ingereisd en heeft op 7 november 1994 een aanvraag om een vergunning tot verblijf vanwege “klemmende redenen van humanitaire aard” ingediend. Eiseres 2 is met haar kinderen op 3 september 1995 Nederland ingereisd en heeft op 4 augustus 1996 een aanvraag om een vergunning tot verblijf vanwege “klemmende redenen van humanitaire aard” ingediend. Beide aanvragen zijn afgewezen, welke in rechte zijn komen vast te staan.
Vervolgens hebben eiser 1 en eiseres 2 op 25 juni 1998 een zelfde aanvraag ingediend, welke wederom is afgewezen.
Op 15 oktober 1999 hebben eiser 1 en eiseres 2 en 3 opnieuw een aanvraag ingediend op grond van TBV 1999/23 (de zogenoemde witte illegalen-regeling). Voorts is op 28 augustus 2000 door eiseres 3 een aanvraag om een vergunning tot verblijf ingediend vanwege “klemmende redenen van humanitaire aard”. Bij uitspraken van 8 januari 2003 van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, (AWB 01/8677 e.v. en AWB 01/8719) zijn de beroepen die zijn ingediend tegen de afwijzende besluiten op voornoemde aanvragen ongegrond verklaard.
Eisers hebben op 30 januari 2003 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘conform beschikking minister’. Deze aanvraag is afgewezen en het hiertegen ingediende bezwaar is bij besluit van 31 januari 2008 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 31 juli 2008 van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam (AWB 08/06704 e.v.), is het beroep van eisers ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 31 maart 2009 (nr. 200806588/1/V1) voornoemde uitspraak bevestigd.
Verweerder verwijst voorts naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 18 april 2014 (AWB 13/29842 en 13/29844; AWB 14/860, 14/863, 14/865, 14/867, 14/869 en AWB 13/31482), de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats `s-Hertogenbosch, van 10 maart 2014 (AWB 13/25299) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 21 februari 2014 (AWB 13/30955). De door eisers overgelegde memo van Kalverboer werpt volgens verweerder geen ander licht op zijn standpunt dat asielkinderen in een andere positie verkeren dan kinderen zonder die achtergrond.
Ten aanzien van het doel en de achtergrond van de Regeling is het volgende opgenomen:
a. die jonger is dan 21 jaar op de startdatum van de peilperiode;
b. die zelf, dan wel ten behoeve van wie, tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft, dan wel is, ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en na die aanvraag tenminste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;
c. die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van de overheid; én
d. die, voor zover van toepassing, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsverlening op grond van de regeling.
De IND verleent ook een vergunning aan gezinsleden die deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling aan wie een vergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken.
Met het hiervoor weergegeven standpunt dat de verantwoordelijkheid van de overheid voor en de positie van kinderen met een asielachtergrond verschilt van die van kinderen met een reguliere achtergrond, heeft verweerder een zwaarwegende reden van migratiebeleid geduid die rechtvaardigt dat het gedrag van de ouders van een vreemdeling wordt toegerekend aan de desbetreffende vreemdeling, indien sprake is van een van een kind afhankelijk verblijfsrecht. Dat, zoals eisers in dit kader ter zitting hebben aangevoerd, het slechts om 400 personen gaat die onder de Regeling willen vallen en (enkel) een reguliere aanvraag hebben ingediend, maakt niet dat met voornoemde motivering van verweerder geen sprake is van een zwaarwegende reden van migratiebeleid.
Ten aanzien van de stelling van eisers dat de hiervoor genoemde schade ook optreedt bij kinderen van niet-asielzoekers, waarbij is verwezen naar de memo van 13 december 2013 van Prof.dr.mr. M.E. Kalverboer en Dr. A.E. Zijlstra getiteld: ‘De schade die kinderen oplopen als ze na langdurig verblijf in Nederland gedwongen worden uitgezet’, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de rapporten waarnaar hij verwijst betrekking hebben op problemen van kinderen uit
asielzoekersgezinnen. Ook de rapporten van Kalverboer en Zijlstra uit 2006 en 2008 zijn immers grotendeels gericht op de specifieke situatie van kinderen met een
asielachtergrond en daarom kan niet zonder meer de stelling worden gevolgd dat deze rapporten net zozeer van toepassing zouden zijn op kinderen zonder asielachtergrond. De positie van deze laatste categorie kinderen is immers feitelijk niet in de betreffende onderzoeken betrokken. Daarbij komt dat niet het feit doorslaggevend is dat kinderen schade kunnen oplopen, maar het feit dat de (kwaliteit van de) opvang in asielzoekerscentra de verantwoordelijkheid is van de overheid. Deze verantwoordelijk strekt zich niet uit tot de leefomstandigheden waarin vreemdelingen met een reguliere achtergrond verkeren.
Nu verweerder gevolgd kan worden in zijn standpunt dat sprake is van een zwaarwegende reden van migratiebeleid en voorts sprake is van een situatie waarin het verblijfsrecht van de ouders, eiser 1 en eiseres 2, afhankelijk is van dat van eiseres 1, volgt de rechtbank verweerder dan ook in zijn standpunt dat de keuze van de ouders om namens eiseres 1 geen asielaanvraag in te dienen, aan eiseres 1 kan worden toegerekend.
Bij aanvullende beroepschriften van 19 mei 2014 hebben eisers diverse steunbetuigingen overgelegd van kennissen en (onderwijs)instanties die met eisers te maken hebben. Tevens zijn diverse beschikkingen overgelegd waarin verweerder ambtshalve een verblijfsvergunning heeft verleend onder de beperking ‘uitoefenen gezinsleven conform artikel 8 EVRM Pro’, of op grond van bijzondere individuele omstandigheden dan wel schrijnende omstandigheden ingevolge verweerders discretionaire bevoegdheid.
Beslissing
M.A.J. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2014.