ECLI:NL:RBDHA:2014:10248

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 augustus 2014
Publicatiedatum
18 augustus 2014
Zaaknummer
12_6357 ev
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 lid 4 Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroepen tegen ongegrondverklaring bezwaar BPM-aangiften

Eiseres heeft tussen december 2010 en februari 2012 BPM betaald voor de registratie van 51 personenauto's uit het buitenland en hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft deze bezwaren deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen de ongegrondverklaring beroep ingesteld, maar heeft geen gronden aangevoerd en erkent dat er geen geschil meer bestaat over de hoogte van de belasting.

De rechtbank oordeelt dat eiseres geen belang heeft bij een uitspraak over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, mede omdat niet is gesteld of gebleken dat zij schade heeft geleden. Daarom verklaart de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door rechter E. Kouwenhoven op 7 augustus 2014 in de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: De beroepen tegen de ongegrondverklaring van de bezwaren zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 12/6357, SGR 12/6358, SGR 12/6359, SGR 12/6360, SGR 12/6361, SGR 12/6362, SGR 12/6363, SGR 12/6364, SGR 12/6365, SGR 12/6366, SGR 12/6367, SGR 12/6368, SGR 12/6369, SGR 12/6370, SGR 12/6371, SGR 12/6372, SGR 12/6373, SGR 12/6374, SGR 12/6375, SGR 12/6376, SGR 12/6377, SGR 12/6378, SGR 12/6380, SGR 12/6381 en SGR 12/6382.

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2014 in de zaken tussen

[X] BV, gevestigd te [Z], eiseres(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor[Y], verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op diverse data tussen 10 december 2010 en 23 februari 2012 op aangiften belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) voldaan. Eiseres heeft tegen die voldoeningen op aangifte bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft op 2 juli 2012 met gebruikmaking van artikel 25, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de uitspraken op de 51 bezwaarschriften van eiseres gecombineerd in één geschrift waarbij een deel van de bezwaren gegrond is verklaard en een deel ongegrond.
Eiseres heeft daartegen in één geschrift beroep ingediend, welk beroep door de rechtbank is gesplitst in 51 zaken.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2014.
Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde en [B].
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [C]en [D].

Overwegingen

Feiten
1.
Eiseres heeft op diverse data tussen 10 december 2010 en 23 februari 2012 op aangiften Bpm voldaan ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van 51 personenauto’s afkomstig uit het buitenland. Eiseres heeft tegen die voldoeningen op aangifte bezwaar gemaakt.
2.
In onderhavige zaken heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
3.
Eiseres heeft tegen de ongegrondverklaring van haar bezwaar geen gronden aangevoerd. Ter zitting heeft eiseres bevestigd dat over de hoogte van de verschuldigde belasting in deze zaken geen geschil meer bestaat.
4.
Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres bij een uitspraak van deze rechtbank omtrent de rechtmatigheid van het bestreden besluit geen belang heeft. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat eiseres door het bestreden besluit schade heeft geleden.
5.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de beroepen niet-ontvankelijk verklaard.
6.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2014.