ECLI:NL:RBDHA:2013:CA3125
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot behoud Nederlandse nationaliteit minderjarige kinderen na afstand vader
Verzoekster, wettelijk vertegenwoordigster van vier minderjarige kinderen, verzocht de rechtbank vast te stellen dat haar kinderen hun Nederlandse nationaliteit niet hebben verloren nadat hun vader vrijwillig afstand deed van zijn Nederlanderschap. De vader had op 2 april 2012 bij de gemeente Amsterdam afstand gedaan van zijn Nederlandse nationaliteit, waardoor de kinderen volgens de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) eveneens hun Nederlanderschap verloren.
Verzoekster voerde aan dat zij als belanghebbende niet correct was gehoord en dat de afstandsverklaring nietig of vernietigbaar is vanwege onbekendheid van de vader met de gevolgen voor zijn kinderen. Tevens werd een beroep gedaan op artikel 8 lid 1 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind (VRK) en artikel 9 van Pro het Europees Verdrag inzake Nationaliteit (EVN).
De rechtbank oordeelde dat er geen wettelijke grondslag was om verzoekster als belanghebbende te horen en dat de gemeente Amsterdam haar naar behoren had geïnformeerd. De rechtbank stelde vast dat de vader conform de wettelijke vereisten had verklaard op de hoogte te zijn van de gevolgen van zijn afstandsverklaring. Het beroep op artikel 8 VRK Pro en artikel 9 EVN Pro werd verworpen omdat de minderjarigen na meerderjarigheid de mogelijkheid hebben om opnieuw Nederlander te worden via optie of vereenvoudigde naturalisatie.
De rechtbank concludeerde dat het verzoek moet worden afgewezen en dat de kinderen het Nederlanderschap verloren hebben door de afstandsverklaring van hun vader.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling dat de minderjarige kinderen hun Nederlandse nationaliteit behouden is afgewezen.