ECLI:NL:RBDHA:2013:CA3045
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering verblijfsvergunning wegens verantwoordelijkheid Hongarije voor asielprocedure
Eiser diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, die werd afgewezen omdat Hongarije verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek op grond van Verordening 343/2003. Eiser voerde aan dat de asielprocedure in Hongarije niet voldoet aan de eisen en dat hij mishandeld is tijdens detentie, wat een schending van het EVRM zou opleveren.
De rechtbank overwoog dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de stukken van eiser onvoldoende grond bieden om te concluderen dat de situatie in Hongarije vergelijkbaar is met die in Griekenland, waar ernstige tekortkomingen zijn vastgesteld. Het persoonlijk relaas van eiser bevatte tegenstrijdigheden en onvoldoende aannemelijke verklaringen over zijn verblijf en detentie in Hongarije.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat de Hongaarse asielprocedure niet aan de vereisten voldoet. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Partijen kunnen binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard omdat Hongarije verantwoordelijk is voor de asielprocedure en deze voldoet aan de vereisten.