ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2482

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
SGR 12/9454, 12/9455 en 12/9456
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toeslagen en het recht op privé- en gezinsleven in het bestuursrecht

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 12 maart 2013 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiseres, [X], en de inspecteur van de Belastingdienst. Eiseres had aanvragen ingediend voor huur- en zorgtoeslag, alsook voor kindgebonden budget voor het jaar 2012. De aanvragen werden afgewezen, waarna eiseres bezwaar maakte. De rechtbank heeft de feiten en omstandigheden rondom de aanvragen en de daaropvolgende beslissingen van verweerder zorgvuldig onderzocht. De rechtbank concludeert dat het onthouden van de toeslagen aan eiseres niet in strijd is met het recht op respect voor het privé- en gezinsleven, zoals vastgelegd in artikel 8 van het EVRM. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aangetoond die een schending van dit recht zouden rechtvaardigen. De rechtbank oordeelt dat de staat niet gehouden is tot een positieve verplichting jegens eiseres in deze context.

De rechtbank heeft ook de argumenten van eiseres met betrekking tot het non-discriminatiebeginsel overwogen. Eiseres heeft niet kunnen aantonen dat er sprake is van ongelijke behandeling in vergelijkbare gevallen. De rechtbank wijst erop dat de wetgever een onderscheid kan maken op basis van de verblijfsstatus van de echtgenoot van eiseres, wat in dit geval gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft de beroepen inzake het kindgebonden budget ongegrond verklaard, terwijl de beroepen inzake de huur- en zorgtoeslag gegrond zijn verklaard. De rechtbank heeft verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 944 en heeft bepaald dat het betaalde griffierecht van € 42 aan eiseres moet worden vergoed. De uitspraak is openbaar uitgesproken en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 12/9454, 12/9455 en 12/9456
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
12 maart 2013 in de zaak tussen
[X], wonende te [Z], eiseres
(gemachtigde: [A]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.
De bestreden beslissingen op bezwaar
De uitspraken van verweerder van 20 september 2012 op de bezwaren van eiseres tegen de afwijzing zorgtoeslag, huurtoeslag en kindgebonden budget voor het jaar 2012.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2013.
Eiseres is daar in persoon verschenen, vergezeld van haar dochter en bijgestaan door
[B].
Namens verweerder is verschenen [C].
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep met procedurenummer 12/9454 inzake het kindgebonden budget ongegrond;
- verklaart de beroepen met procedurenummers 12/ 9455 en 12/9456 inzake de huur- en zorgtoeslag gegrond;
- vernietigt het besteden besluit in zoverre;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besteden besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944, te betalen aan eiseres;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42 aan eiseres te vergoeden.
Overwegingen
1. Op grond van de gedingstukken is het de rechtbank niet duidelijk door wie (eiseres en/of haar echtgenoot) en op welk moment de aanvraag voor de toeslagen is gedaan, danwel daarop is beslist, danwel daartegen bezwaar is ingediend. Op grond van hetgeen daarover ter zitting is behandeld komt de rechtbank ertoe om met partijen uit te gaan van het navolgende.
2. De aanvraag huur- en zorgtoeslag voor het jaar 2012 is door eiseres ingediend op 24 januari 2012. Bij brief van 10 maart 2012 is de aanvraag afgewezen. Bij brief van 11 april 2012 dient eiseres een gemotiveerd bezwaar in, waarop verweerder op 20 september 2012 beslist.
3. De aanvraag kindgebonden budget voor het jaar 2012 is door eiseres ingediend op 26 april 2012. Eiseres heeft bedoeld om bij brief van 18 juni 2012 bezwaar in te stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvraag. Op dat bezwaar is door verweerder bij beslissing op bezwaar van 20 september 2012 inhoudelijk beslist.
4. Voor zover nodig ziet de rechtbank mede op proceseconomische gronden aanleiding om met partijen mee te gaan in deze uiteenzetting. Hierbij tekent de rechtbank wel aan dat strikt genomen niet al op 18 juni 2012 de beslistermijn was verstreken maar eerst op 21 juni 2012.
Naar analogie van artikel 6:10 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ziet de rechtbank in het onderhavige geval geen grond om dat bezwaarschrift als niet-ontvankelijk aan te merken. De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de bezwaarschriften tijdig zijn ingediend.
5. In geschil is of verweerder op goede gronden de toeslagen heeft herzien naar nihil. Niet in geschil is dat [D], de echtgenoot van eiseres, niet beschikt over een geldige verblijfsvergunning.
6. Eiseres stelt dat het onthouden van haar (gezin) van de toeslagen ingevolge het in artikel 9, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) opgenomen koppelingsbeginsel in strijd is met de mensenrechten, meer in het bijzonder met het recht op bescherming van het privé- en gezinsleven en het recht op gelijke behandeling. Naar eiseres stelt is verweerder hier in de uitspraak op bezwaar ten onrechte aan voorbij gegaan.
7. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 15 februari 2013 met procedurenummers
AWB 12/5452, 12/5455 en 12/6456 de beroepen ongegrond verklaard. De rechtbank acht de onderhavige zaak daarmee vergelijkbaar en ziet aanleiding om tot eenzelfde oordeel, en de overwegingen daartoe, te komen.
Non-discriminatiebeginsel
8. Terzake van het beroep van eiseres op het non-discriminatiebeginsel overweegt de rechtbank als volgt. Van discriminatie is eerst sprake indien gelijke gevallen niet gelijk behandeld worden en voor die ongelijke behandeling geen rechtvaardiging bestaat. Eiseres heeft haar beroepsgrond niet onderbouwd, in die zin dat zij niet heeft gewezen op met haar situatie vergelijkbare gevallen waarin verweerder desniettemin anders heeft gehandeld door wel tegemoetkomingen toe te kennen. Evenmin heeft eiseres aangevoerd dat verweerder in bepaalde omstandigheden een begunstigend beleid voert dat in haar situatie ook van toepassing zou moeten zijn. Voorts overweegt de rechtbank dat voor zover al sprake zou zijn van gelijke gevallen, de wetgever een onderscheid kan aanbrengen gebaseerd op de verblijfstatus van – in dit geval – de echtgenoot indien daarvoor een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat in het licht van het doel van de regeling. Die rechtvaardiging is naar het oordeel van de rechtbank gegeven bij de totstandkoming van de Koppelingswet, te weten het wegnemen van de mogelijkheid om ondanks het ontbreken van een verblijfstitel aanspraak te maken op uitkeringen en verstrekkingen die aanzet kan vormen tot de voortzetting van in beginsel wederrechtelijk verblijf en uiteindelijk kan leiden tot een vorm van schijnlegaliteit wat de verblijfspositie betreft. Met het koppelingsbeginsel zoals neergelegd in artikel 9, tweede lid, Awir wordt voorkomen dat degene zonder verblijfstitel via partner en gezin voordeel kan hebben aan uitkeringen en verstrekkingen die toekomen aan de partner en het gezin. De rechtbank wijst erop dat in deze zin reeds meerdere malen is geoordeeld door de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraken van 23 januari 2008, LJN: BC2514 voor de toepassing van de huursubsidiewet; 22 juli 2009, LJN: BJ3435; 17 maart 2010, LJN: BL7842; 22 december 2010, LJN: BO8342; 19 januari 2011 LJN: BP1353 voor de toepassing van de zorgtoeslag en huurtoeslag).
Recht op privé- en gezinsleven en rechten van het kind
9. Aangaande het beroep van eiseres op het – ongestoorde – recht op privé- en gezinsleven, overweegt de rechtbank als volgt. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft eerder geoordeeld dat artikel 8 EVRM ook van belang is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. De staat komt daarbij wel een ruime beoordelingsvrijheid toe (wide margin of appreciation), terwijl het EHRM in het kader van de te beschermen rechten belang toekent aan de verblijfstatus (arrest van het EHRM van 27 mei 2008, N. vs United Kingdom, nr. 26565/05, EHRC 2008/91).
Gesteld noch gebleken is dat het onthouden van de toeslagen aan eiseres als zodanig meebrengt dat eiseres, haar echtgenoot en haar kinderen worden belemmerd in het uitoefenen van hun privé- en gezinsleven, waarmee niet gezegd is dat eiseres en haar kinderen niet in een moeilijke situatie verkeren. Niet aannemelijk is evenwel dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die grond bieden voor het oordeel dat verweerder met het primaire besluit het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het familie- en gezinsleven heeft geschonden. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit mee dat er geen sprake is van een zodanige aantasting van het recht op privé- en gezinsleven dat de staat gehouden zou zijn tot een positieve verplichting jegens eiseres. Ook als artikel 8 van het EVRM mede wordt bezien in het licht van het IVRK en de overige door eiseres genoemde verdragsnormen kan naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet worden volgehouden dat het onthouden van de tegemoetkomingen aan eiseres geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen betrokken bij de weigering van de tegemoetkomingen op de gronden waarop de Koppelingswet berust en het – particuliere – belang van eiseres. De rechtbank wijst in dit verband ook op eerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep over vermeende strijdigheid van de koppelingswet met
artikel 8 EVRM en het IVRK (uitspraken van 26 juni 2001, LJN AB2324 en 24 januari 2006, LJN AV0197) en op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraken van 22 juli 2009, LJN: BJ3435; 24 februari 2010, LJN: BL5340;
17 maart 2010, LJN: BL7842; 22 december 2010, LJN: BO8342; 19 januari 2011
LJN: BP1353; en 16 januari 2013, LJN: BY8526 inzake het kindgebonden budget).
10. Hetgeen overigens is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.
Motiveringseis
11. Eiseres heeft gemotiveerd beroep ingesteld en aanspraken ingeroepen op grond van het EVRM. Eerst bij verweerschrift heeft verweerder daar een toereikende uiteenzetting over gegeven. Dit leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de slotsom dat met betrekking tot de beroepen inzake de huur- en zorgtoeslag in zoverre sprake is van een motiveringsgebrek op grond waarvan de beroepen gegrond zijn verklaard.
De uiteenzettingen worden wel onderschreven en op grond daarvan ziet de rechtbank aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
12. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 944 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens, rechter,
in aanwezigheid van mr. A.C. de Haas-van der Voort, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2013.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019,
2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.