ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ9579
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.I.H. Kerstens-Fockens
- H.W. Vogels
- G.F. van der Linden-Burgers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid bij visumaanvraag en vertegenwoordiging tussen Nederland en België
Eiseres diende een aanvraag in voor een kort verblijfvisum voor Nederland bij het Belgische consulaat in Abuja, Nigeria. Nederland verklaarde zich onbevoegd om bezwaar te behandelen omdat België de definitieve beslissing had genomen op grond van een bilaterale regeling tussen Nederland en België.
De rechtbank onderzocht of deze bilaterale overeenkomst een machtiging bevat zoals bedoeld in artikel 8, lid 4, sub d, van de Visumcode. De rechtbank concludeerde dat de overeenkomst deze machtiging niet bevat, mede omdat Nigeria niet is opgenomen in de relevante Note verbale en de brief van 29 augustus 2011 geen duidelijke aanwijzing geeft over de bevoegdheidsoverdracht.
Hoewel Nederland zich onterecht onbevoegd verklaarde, oordeelde de rechtbank dat België inderdaad de bevoegde lidstaat is die de definitieve beslissing neemt en waartegen beroep moet worden ingesteld. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met de Algemene wet bestuursrecht, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Tevens veroordeelde zij Nederland tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en Nederland wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.