AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs seksueel binnendringen tijdens bewusteloosheid
De rechtbank Den Haag behandelde op 28 maart 2013 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het plegen van seksuele handelingen, waaronder seksueel binnendringen, bij een aangeefster die in staat van bewusteloosheid of lichamelijke onmacht verkeerde.
Tijdens de zitting met gesloten deuren op 14 maart 2013 werden verklaringen van de aangeefster, verdachte en getuige gehoord. De aangeefster kon zich niet herinneren wat er precies was gebeurd, terwijl getuige verklaarde verdachte mogelijk seksueel contact te hebben zien maken met de aangeefster terwijl zij sliep. Verdachte stelde dat het contact vrijwillig was geweest.
De verdediging voerde aan dat de aangifte onbetrouwbaar was door procesrechtelijke schendingen en dat er een alternatief scenario mogelijk was van vrijwillige seks. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van ontoelaatbare druk of bewijsuitsluiting en dat het bewijs onvoldoende was om het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen.
De rechtbank sprak verdachte vrij en wees de vordering tot schadevergoeding af wegens de vrijspraak. Tevens werd de teruggave van inbeslaggenomen goederen gelast en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van seksueel binnendringen tijdens bewusteloosheid.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer 09/920214-11
Datum uitspraak: 28 maart 2013
Tegenspraak
(Promis)
De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [datum] 1994 te [plaats],
adres: [adres].
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 14 maart 2013.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr.
R.E. Perquin en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. M.W. Stoet, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 27 juni 2011 te Gouda, met [aangeefster], van wie hij,
verdachte, wist dat die [aangeefster] in staat van bewusteloosheid, verminderd
bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige
gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn/haar geestvermogens
leed dat die [aangeefster] niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent
te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer
handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het
seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], hebbende verdachte;
- achter die [aangeefster] gelegen;
- de hand van die [aangeefster] vastgepakt;
- die [aangeefster] gezoend;
- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [aangeefster] gebracht;
De verdachte wordt verdacht van seksueel binnendringen van aangeefster [aangeefster] terwijl zij lag te slapen. Verdachte heeft verklaard dat aangeefster vrijwillig seks met hem heeft gehad en dat zij op dat moment wakker was. [aangeefster] heeft verklaard dat zij niet weet wat er is gebeurd tussen haar en verdachte.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte seksueel is binnengedrongen bij [aangeefster] terwijl zij sliep en daarmee in lichamelijke onmacht verkeerde.
3.2 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft - conform haar ter terechtzitting overhandigde schriftelijke requisitoir - gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde feit.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het hem bij dagvaarding tenlastegelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 100 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 79 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, ook als dit inhoudt het volgen van een behandeling.
Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot
een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen jeugddetentie.
3.3 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank - conform zijn ter terechtzitting overhandigde schriftelijke pleitnota - verzocht verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde feit.
De raadsman heeft daartoe, kort en zakelijk weergegeven, naar voren gebracht dat de aangifte dient te worden uitgesloten van het bewijs, omdat bij de opname van de verklaring van aangeefster de beginselen van een behoorlijke procesorde in de zin van artikel 6 EVRMPro en ook de voorschriften uit de 'aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik' zijn geschonden. De politie zou tijdens het informatieve gesprek met aangeefster fouten hebben gemaakt. Tegen haar zou zijn gezegd dat verdachte heengezonden zou worden als zij geen aangifte zou doen. Ook is haar is geen bedenktijd gegeven om te beslissen of zij aangifte wilde doen. Tevens is de inhoud van de belangrijkste getuigenverklaring met haar gecommuniceerd. Naar mening van de raadsman is hierdoor de aangifte niet betrouwbaar. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er andere redenen zijn om aan de geloofwaardigheid van aangeefster te twijfelen en dat een alternatief scenario denkbaar is, waarin aangeefster vrijwillig seks heeft gehad met verdachte.
3.4 De beoordeling van de tenlastelegging
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het feit dat aangeefster geen bedenktijd is gegeven om te beslissen of zij aangifte wilde doen en dat haar is voorgehouden dat verdachte zou worden heengezonden als ze geen zou aangifte doen - wat daar ook van zij - niet in strijd is met de 'Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik.' Uit de Aanwijzing blijkt immers dat er direct aangifte kan volgen op het informatieve gesprek. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld een situatie van acuut misbruik of een geval van heterdaad. Voorts ziet de rechtbank op basis van het dossier geen aanleiding om te concluderen dat er ontoelaatbare druk is uitgeoefend door de politie op aangeefster en dat haar aangifte onbetrouwbaar zou zijn. Ook anderszins is niet aannemelijk gemaakt dat het handelen van de politie jegens aangeefster een zodanige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert, dat dit zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting.
De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Aangeefster [aangeefster] heeft bij de politie verklaard dat zij samen met verdachte e[getuige] op 27 juni 2011, nadat ze wodka en sigaretten had gekocht, naar de Skunk-tunnel in Gouda zijn gegaan. Voorts heeft [aangeefster] verklaard dat verdachte dronken was en haar kusjes begon te geven op haar rug en handen. [aangeefster] is toen verderop naar een grasveldje gegaan. Rond 01.00 uur zei verdachte tegen [aangeefster] en [getuige] dat ze maar moesten gaan slapen. [aangeefster] is toen in slaap gevallen. [aangeefster] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat het eerste wat zij zich kon herinneren toen ze wakker werd, was dat er met een lamp in haar gezicht werd geschenen.
Uit de verklaringen die getuige [getuige] bij de politie en de rechter-commissaris heeft afgelegd, leidt de rechtbank het volgende af. [getuige] was op 27 juni 2011 vanaf omstreeks 20:00 uur met verdachte en [aangeefster]. Op een gegeven moment zijn ze met zijn drieën op een grasveld gaan liggen. Verdachte en [aangeefster] lagen met zijn tweeën bij elkaar. [getuige] is even in slaap is gevallen. Toen hij wakker werd, zag hij dat verdachte en [aangeefster] - beiden op hun linkerzij - tegen elkaar aan lagen en dat verdachte neukbewegingen maakte. [aangeefster] had haar ogen dicht en bewoog niet. [getuige] is vervolgens gaan schreeuwen en is naar verdachte en [aangeefster] toegelopen. Hij heeft zijn slippers naar verdachte gegooid en heeft gezegd dat hij moest ophouden. Ook heeft hij tegen [aangeefster] geschopt en tegen haar gezegd dat ze weg moesten. [aangeefster] reageerde niet op het schreeuwen en schoppen van [getuige], ze bleef gewoon slapen.
De rechtbank stelt vast dat [getuige] dezelfde nacht van het ten laste gelegde feit is gehoord door de politie. Hij heeft toen verklaard dat het ook zo kan zijn dat verdachte tegen aangeefster heeft liggen aanrijden. Hij weet niet zeker of hij het goed heeft gezien, maar hij denkt zeker te weten dat verdachte seks met aangeefster heeft gehad.
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op het grasveld achter [aangeefster] is gaan liggen. Ze lagen beiden op hun linkerzij. Verdachte pakte haar hand vast en gaf haar een kus en toen gingen ze vrijen. Voorts heeft verdachte verklaard dat [aangeefster] op haar rug ging liggen en hem een kus gaf en een arm om hem heen deed.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het seksuele contact tussen hen beiden vrijwillig heeft plaatsgevonden en dat [getuige] op het moment dat het gebeurde niet bij hen in de buurt was.
De rechtbank stelt voorop dat - op basis van de verklaringen in het dossier en het aangetroffen DNA-materiaal - niet ter discussie staat dat verdachte op 28 juni 2011 in Gouda seksueel contact heeft gehad met [aangeefster].
De rechtbank ziet zich echter voor de vraag gesteld of voor de verklaring van [aangeefster] voldoende steunbewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen van het ten laste gelegde, het seksueel binnendringen van het lichaam van [aangeefster] terwijl zij in slaap was.. De rechtbank stelt vast dat getuige [getuige] niet 100% zeker weet of hij gezien heeft dat verdachte seks met [aangeefster] heeft gehad terwijl zij sliep. Het zou kunnen dat toen [getuige] verdachte en [aangeefster] zag liggen er geen sprake van was van een situatie waarbij verdachte zijn penis in de vagina van [aangeefster] had ingebracht. Het kan zijn dat verdachte op dat moment slechts tegen [aangeefster] lag aan te rijden. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet uitgesloten dat verdachte en [aangeefster] iets eerder op de avond (vrijwillige) seks met elkaar hebben gehad, van welke gebeurtenis [getuige] niets heeft gezien.
Op grond van de processtukken is een alternatief scenario, zoals geschetst door de raadsman, niet uit te sluiten. De rechtbank spreekt verdachte derhalve vrij van het ten laste gelegde feit.
4. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel
[aangeefster], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.600,-.
4.1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.600,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangeefster].
4.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde feit bepleit en heeft zich niet uitgelaten over de vordering.
4.3. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, wordt vrijgesproken.
5. De inbeslaggenomen goederen
5.1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen genoemde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de rechthebbende.
5.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich niet uitgelaten over het beslag.
5.3. Het oordeel van de rechtbank
Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten van de op de beslaglijst genummerde voorwerpen.
6. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst onder 1 tot en met 4 genummerde voorwerpen, te weten: 1) blouse, merk Mexx, kleur wit, 2) Broek, merk Hummel, kleur zwart, 3) ondergoed, merk Pierre Cardin, kleur zwart, 4) slippers, kleur blauw;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
bepaalt dat zij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.M. Borkent, kinderrechter, voorzitter,
mr. J.M. Ghrib, kinderrechter,
en mr. M. van Loenhoud, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. M.H. van Limpt, griffier.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 maart 2013.