ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ8153
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Procedure over kennelijk onredelijk ontslag van imam en geschil over schending geheimhoudingsplicht en illegale huwelijken
De zaak betreft een geschil tussen een imam en de stichting waar hij sinds 2004 in dienst was. Na spanningen binnen het bestuur en conflicten over het gezag en organisatorische besluiten, werd de imam geschorst en ontslagen. Hij stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was, omdat het op valse gronden was gebaseerd en hij zich beschikbaar stelde voor werkhervatting. De stichting vorderde in reconventie schadevergoeding wegens schending van de geheimhoudingsplicht, imagoschade en het illegaal sluiten van islamitische huwelijken.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was. De stichting had het ontslag voldoende gemotiveerd met verwijzing naar het onhoudbare conflict en het niet accepteren van het gezag door de imam. De imam had zich niet als goed werknemer gedragen door zich uit te laten tegenover derden en de geheimhoudingsplicht te schenden. De vorderingen van de imam werden afgewezen.
De stichting mocht haar vordering over de vermeende illegale huwelijken nader onderbouwen in een schadestaatprocedure. De kantonrechter hield de beslissing hierover aan en gaf partijen gelegenheid om aanvullende stukken in te dienen. De kostenbeslissing werd aangehouden tot het eindvonnis in reconventie.
Uitkomst: De vorderingen van de imam wegens kennelijk onredelijk ontslag worden afgewezen en de beslissing over de schadevergoeding van de stichting wordt aangehouden.