ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ5937
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening toegewezen aan minderjarige Afghaanse asielzoeker wegens risico op vervolging en mishandeling
Verzoeker, een minderjarige Afghaanse asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning die door verweerder werd afgewezen vanwege onvoldoende bewijs en gebrek aan positieve overtuigingskracht van het asielrelaas.
De rechtbank oordeelt dat verweerder in redelijkheid mocht twijfelen aan de geloofwaardigheid van het reisverhaal en het ontbreken van indicatief bewijs, mede gezien tegenstrijdigheden en ongerijmdheden in het relaas.
Echter, de rechtbank sluit niet uit dat verzoeker bij terugkeer naar het oosten van Afghanistan een reëel risico loopt op vervolging of een behandeling die verboden is onder artikel 3 EVRM Pro, mede gelet op zijn status als minderjarige en de specifieke risico's voor jongens in die regio.
Daarom wordt de voorlopige voorziening toegewezen, de uitzetting verboden totdat op het beroep is beslist, en verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
De bodemzaak wordt verwezen naar de meervoudige kamer voor een meer diepgaande behandeling van de problematiek van minderjarige jongens in Afghanistan.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting van verzoeker wordt verboden totdat op het beroep is beslist.