ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ5800

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
C09/437005 JE RK 13-387
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:254 BWArt. 1:261 BWWet op de jeugdzorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige en om machtiging tot uithuisplaatsing gedurende de ondertoezichtstellingsperiode. De minderjarige verblijft feitelijk bij de ouders die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.

De kinderrechter constateerde dat de gronden voor ondertoezichtstelling zoals genoemd in artikel 1:254 lid 1 BW Pro nog aanwezig zijn en verlengde de ondertoezichtstelling van 1 maart 2013 tot 1 april 2013. De kinderrechter benadrukte dat Bureau Jeugdzorg contact moet zoeken met de school van de minderjarige om actuele informatie te verkrijgen, aangezien er geen direct contact is tussen Bureau Jeugdzorg en het gezin.

Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing werd afgewezen omdat niet was gebleken dat de wettelijke gronden van artikel 1:261 lid 1 BW Pro aanwezig waren. Bureau Jeugdzorg gaf aan dat uithuisplaatsing noodzakelijk was om meer grip te krijgen op de uitvoering van de ondertoezichtstelling, maar dit werd onvoldoende geacht. De ouders en de minderjarige zelf verzetten zich tegen uithuisplaatsing. De behandeling van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling werd aangehouden tot de zitting van 25 maart 2013.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor een korte periode en het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Kinderrechter
Rekestnummer: JE RK 13-387
Zaaknummer: C/09/437005
Datum beschikking: 25 februari 2013
Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
Beschikking op het op 11 februari 2013 ingekomen verzoekschrift van:
de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, vestiging Den Haag Zuid/Rijswijk
(verder: Bureau Jeugdzorg),
met betrekking tot de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [datum] 1996 te [plaats A],
kind uit het huwelijk van:
[belanghebbende 1],
de vader,
en
[belanghebbende 2],
de moeder,
beiden wonende te [adres],
die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.
De minderjarige verblijft feitelijk bij de ouders.
Procedure
De kinderrechter heeft kennisgenomen van:
- het verzoekschrift met bijlagen;
- het indicatiebesluit van Bureau Jeugdzorg d.d. 8 februari 2013 met de daarbij behorende
aanvraag;
- de door de vader op de terechtzitting overgelegde stukken.
Op 25 februari 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld.
Hierbij zijn verschenen:
- de heer J.J. Bierdrager en mevrouw L. Evens, beiden namens Bureau Jeugdzorg;
- de vader;
- de moeder.
De minderjarige is op 25 februari 2013 in raadkamer gehoord.
Feiten
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 27 februari 2012 de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd van 1 maart 2012 tot 1 maart 2013.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar, alsmede tot machtiging de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De vader, de moeder en de minderjarige hebben verweer gevoerd, welk verweer hierna
-voor zover nodig- zal worden besproken.
Beoordeling
De heer Bierdrager heeft namens Bureau Jeugdzorg het verzoek gehandhaafd. Voorts heeft hij naar voren gebracht dat er geen zicht is op de ontwikkeling van de minderjarige, omdat het, hoewel er diverse pogingen zijn ondernomen, niet is gelukt om contact te krijgen met de minderjarige en de ouders. Een machtiging tot uithuisplaatsing is volgens de heer Bierdrager noodzakelijk om meer zicht te kunnen krijgen op de minderjarige. Tot slot heeft de heer Bierdrager aangevoerd dat de minderjarige momenteel niet naar school gaat.
De vader heeft meegedeeld het eens te zijn met verlenging van de ondertoezichtstelling voor een korte periode zodat hij in de gelegenheid gesteld wordt om schriftelijk op het verzoek te reageren. De vader heeft voorts meegedeeld, dat er vanaf oktober 2012 alleen nog via email contact is met Bureau Jeugdzorg. Tenslotte heeft de vader aangegeven zich te verzetten tegen een verzoek tot uithuisplaatsing.
De moeder heeft de stelling van Bureau Jeugdzorg dat de minderjarige niet naar school gaat bestreden. Zij heeft hiertoe aangevoerd, dat de minderjarige sinds oktober 2012 naar school gaat, te weten het Stip-Dalton, en nu éénmaal per week stage loopt. De moeder heeft een stage overeenkomst en een inschrijving op school ter inzage gegeevn.Voorts heeft de moeder aangegeven dat alle contacten met de school via haar lopen.
De minderjarige heeft meegedeeld een ondertoezichtstelling niet nodig te vinden, omdat het goed met haar gaat.
De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat niet is gebleken dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling niet meer aanwezig zijn en dat het derhalve noodzakelijk is de ondertoezichtstelling thans te verlengen voor een korte periode. De kinderrechter overweegt daarbij in het bijzonder dat, nu er geen contact is tussen Bureau Jeugdzorg enerzijds en de minderjarige en de ouders anderzijds, er geen actuele informatie over de minderjarige beschikbaar is en dat derhalve Bureau Jeugdzorg deze informatie op korte termijn dient te verstrekken.
Aan Bureau Jeugdzorg wordt verzocht om contact op te nemen met de school van de minderjarige om te informeren hoe het daar met de minderjarige gaat en de kinderrechter hierover schriftelijk te informeren, waarbij de kinderechter er van uit gaat,
dat de ouders hieraan hun medewerking zullen verlenen en dat zij eveneens mee zullen werken aan contact tussen hen en de gezinsvoogd.
Voorts is de kinderrechter van oordeel dat niet is gebleken, dat de in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn, nu namens Bureau Jeugdzorg als reden voor dit verzoek slechts is aangegeven dat zij door middel van een uithuisplaatsing meer grip kunnen krijgen met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
Gelet op het vorenstaande zal als volgt worden beslist.
Beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige van 1 maart 2013 tot 1 april 2013
met behoud van de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing;
houdt de behandeling van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor het overige aan tot de terechtzitting van 25 maart 2013 te 14.20 uur;
verzoekt de Bureau Jeugdzorg Haaglanden tijdig voor voormelde zitting rapport en advies uit te brengen ter fine als voormeld;
Bureau Jeugdzorg Haaglanden, de vader en de moeder is aangezegd om op voormelde zitting te verschijnen.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. de Haan, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 februari 2013, in tegenwoordigheid van A.J. Fioole als griffier.
Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de
dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof
te Den Haag.