ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ5728
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens aanzetten tot genocide in Gikondo, Rwanda
De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen de verdachte die werd beschuldigd van aanzetten tot genocide, poging tot genocide, moord, samenzwering tot genocide, aanzetten tot genocide en oorlogsmisdrijven gepleegd in Gikondo, Kigali, Rwanda tussen 1990 en 1994. De rechtbank oordeelde dat alleen het aanzetten tot genocide wettig en overtuigend bewezen kon worden.
De bewijsvoering bestond voornamelijk uit getuigenverklaringen, waarbij de rechtbank kritisch keek naar de betrouwbaarheid gezien de tijdsverloop en culturele verschillen. De verdachte was lid van de extreemrechtse Hutu-partij CDR en leidde tijdens openbare bijeenkomsten het zingen van een lied dat opriep tot de moord op Tutsi's. Dit werd gezien als direct en opzettelijk aanzetten tot genocide.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van betrokkenheid bij specifieke massamoorden, samenzwering tot genocide en oorlogsmisdrijven wegens gebrek aan bewijs van nauwe samenwerking of medeplichtigheid. De straf werd gemaximeerd op 6 jaar en 8 maanden gevangenisstraf, conform de destijds geldende maximale straf voor aanzetten tot genocide.
De rechtbank benadrukte de ernst van het misdrijf, het ontbreken van berouw en de blijvende vijandige houding van de verdachte tegenover Tutsi's. Ondanks dat de straf niet recht doet aan de ernst van de zaak, werd de maximale straf opgelegd binnen de wettelijke kaders.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 jaar en 8 maanden gevangenisstraf voor aanzetten tot genocide, vrijspraak voor overige aanklachten.