Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser]
Procesverloop
Overwegingen
Eiser heeft op 5 maart 2009 een aanvraag ingediend tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, voor het doel ‘verblijf bij partner [naam 2]’. Bij besluit van 28 april 2009 is deze aanvraag afgewezen. Bij beslissing van 10 september 2009 is eisers bezwaar tegen de afwijzende beslissing gegrond verklaard en is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsdocument afgegeven voor het doel ‘familielid van een burger van de Unie’ met een geldigheidsduur van vijf jaren.
Eiser is sinds 18 maart 2009 werkzaam bij Agrarisch Loonbedrijf [naam 1] te
Den Haag. Eiser is in het bezit van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Op 11 oktober 2010 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 Vw Pro met als doel ‘arbeid in loondienst op grond van Besluit nr. 1/80’. Bij besluit van 23 november 2010 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst bij [naam 1] in het kader van Besluit nr. 1/80’. Deze verblijfsvergunning is verleend met ingang van 11 oktober 2010 met een geldigheidsduur tot 11 oktober 2011. Eiser heeft op 2 december 2010 bezwaar gemaakt tegen de geldigheidsduur van deze vergunning. Bij besluit van 25 januari 2011 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Het door eiser hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 11 oktober 2011 van deze rechtbank, zittingsplaats Dordrecht (LJN: BT7286) gegrond verklaard. Deze uitspraak is bij uitspraak de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, nr. 201111703/1/V1) van 8 februari 2013 vernietigd voor zover de rechtbank niet de rechtsgevolgen van het besluit van 25 januari 2011 in stand heeft gelaten.
Eiser voert in dit verband aan dat artikel 3.57 Vb en de hiervan afwijkende bepalingen, zoals artikel 3.59 Vb, kan-bepalingen zijn, zodat verweerder zelf de duur van de verblijfsvergunning kan bepalen. Gelet hierop en omdat artikel 3.59 Vb nader wordt toegelicht in de paragrafen B1/3.1 en B1/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat artikel 4:84 Awb Pro in dit verband niet van toepassing is.
Voor zover eiser meent dat hij in aanmerking komt voor de in het beleid in de paragrafen B1/3.1 en 3.2 Vc gegeven uitzonderingen, oordeelt de rechtbank als volgt. In paragraaf B1/3 Vc is vooropgesteld dat de hoofdregel voor de geldigheidsduur waarvoor de verblijfsvergunning wordt verleend of verlengd, is neergelegd in artikel 3.57 Vb. Van deze hoofdregel wordt, afhankelijk van het verblijfsdoel, afgeweken in de artikelen 3.58 tot en met 3.67, 3.69 en 3.70 Vb. Nu geen van deze afwijkingsbepalingen op eisers situatie van toepassing is en het beleid als neergelegd in de paragrafen B1/3.1 en 3.2 Vc slechts op deze bepalingen ziet, kan eiser niet met succes een beroep doen op dit beleid.
Eiser heeft voorts een beroep gedaan op artikel 4:84 Awb Pro. Dit beroep slaagt evenmin. Artikel 3.57 Vb is imperatief geformuleerd en laat geen ruimte voor beleidsvorming, zodat verweerder hier ook niet onder toepassing van artikel 4:84 Awb Pro van kan afwijken. Bovendien geldt, zoals hiervoor is overwogen, dat eisers situatie niet valt onder één van de afwijkingsbepalingen als neergelegd in de paragrafen B1/3.1 en 3.2 Vc.
“Het toepasselijke legesbedrag voor de burgers van Unie bedroeg ten tijde van belang, indien zij in aanmerking wilden komen voor een verblijfsdocument, € 43,00. Ten tijde van belang was het legesbedrag dat de vreemdeling verschuldigd was voor de behandeling van zijn aanvraag even hoog. In zoverre is geen sprake van een nieuwe maatregel, waarbij aan Turkse onderdanen een verplichting wordt opgelegd die onevenredig is aan de verplichtingen van de burgers van de Unie. Een dergelijke onevenredigheid is evenmin gelegen in het feit dat door Turkse onderdanen bij elke verlengingsaanvraag leges moeten worden betaald, waardoor het totaalbedrag voor een verblijfsperiode van vijf jaar minimaal vier keer zo hoog is als voor de burger van de Unie. Nu op zichzelf de standstillbepaling niet in de weg staat aan de plicht tot jaarlijkse verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, is uitsluitend relevant of het bedrag voor de behandeling daarvan per aanvraag evenredig is vergeleken met een soortgelijke aanvraag van een Unieburger. Het betoog van de vreemdeling dat de beoordeling of de nieuwe legesmaatregel onevenredig is voor Turkse onderdanen niet dient plaats te vinden aan de hand van een vergelijking met een aan de burgers van de Unie te verstrekken verblijfsdocument, maar door vergelijking met een kosteloos afgegeven verklaring van inschrijving, faalt. Zoals ook door het Hof is vastgesteld, zijn de door Turkse onderdanen ingediende aanvragen voor verlening of verlenging van een verblijfsvergunning en de door een burger van de Unie in een andere lidstaat ingediende aanvraag om een verblijfsdocument soortgelijke aanvragen.”
Onder verwijzing naar voornoemde uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2012 en naar een tweede uitspraak van 17 juli 2012 (LJN: BX2572) is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser opgesomde handelingen niet nieuw zijn, dan wel dat niet is gebleken dat dergelijke handelingen behoeven te worden verricht. De verwijzing door eiser naar de uitspraak van het Bundesverwaltungsgericht van 22 mei 2012 (C 6.11) doet hier niet aan af, reeds omdat deze uitspraak ziet op het verblijf van een gezinslid van een Turkse werknemer die sinds 1990 in Duitsland woont. Van een vergelijkbare zaak is geen sprake.
Eiser heeft de rechtsvragen die in voormelde uitspraken van 17 juli 2012 zijn beantwoord, in bezwaar aan de orde gesteld. Over het antwoord op die rechtsvragen kon ten tijde van het nemen van het besluit van 7 mei 2012 redelijkerwijs twijfel bestaan. Verweerder heeft zich dus ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- draagt verweerder op € 156,- aan eiser te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht, in verband met het beroep;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944,- te betalen aan eiser, in verband met het beroep.