Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Procesverloop
Overwegingen
5. Een ambtsbericht kan gedurende een periode van ten hoogste zes jaar na de vaststelling worden meegewogen bij een te nemen rechtspositioneel besluit.
6 augustus 2010.
H-ECID van 17 en 18 februari 2010, de aan het ambtsbericht ten grondslag gelegde onderzoeksverslagen en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat eiser de in het ambtsbericht beschreven feiten niet weerspreekt, maar wel de daaraan gegeven kwalificaties. Zij stelt voorts vast dat het optreden van eiser in elk geval werd ingegeven door de omstandigheid dat het nieuwe H-ECID kenbaar had gemaakt de externe advies/scholingsactiviteiten van ECID te willen beperken. Dit was een onjuiste beleidswijziging in de opvatting van eiser en het oud H-ECID, die per 1 mei 2010 functioneel leeftijdsontslag (flo) kreeg. De laatste zou na zijn flo op particuliere basis verder gaan met advisering conform het ECID. Eiser heeft zijn afwijzend standpunt ook kenbaar gemaakt aan het H-ECID. Verweerder heeft niet weersproken dat het door eiser bekritiseerde onderdeel van de beleidswijziging uiteindelijk niet is geïmplementeerd. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze context er evenwel niet aan af dat verweerder terecht de gedragingen van eiser als laakbaar en verwijtbaar heeft gekwalificeerd en ernstige twijfel over de integriteit van eiser heeft. Eiser had zich er als officier van bewust moeten zijn dat hij in zijn op derden gericht handelen geen uitlatingen mag doen, waardoor bij die derden de indruk kan worden gewekt en, naar uit de gespreksverslagen blijkt, ook is gewekt, dat door zijn werkgever te staken activiteiten wellicht door eiser op particuliere basis alsnog kunnen worden verzorgd. Eiser had zich er voorts rekenschap van moeten geven dat zijn positie na 1 mei 2010 een andere was dan die van het gepensioneerd ex H-ECID. Daarbij is niet van betekenis dat daarmee het dienstbelang feitelijk zou worden gecontinueerd, omdat het niet aan eiser is te bepalen wat het prioritair dienstbelang is. De hiervoor onder c, f en g weergegeven vaststellingen heeft eiser niet bestreden en zijn naar het oordeel van de rechtbank evenzeer een voldoende grondslag voor de in het ambtsbericht getrokken conclusies. Eiser is er niet in geslaagd, bij voorbeeld door getuigenverklaringen, aannemelijk te maken dat ten tijde van belang, de door verweerder aan hem verweten gedragingen binnen het krijgsmachtonderdeel waarin hij functioneerde niet ongebruikelijk waren en/of dat de bevelvoering daartegen geen maatregelen ondernam. Hetgeen eiser heeft aangevoerd tegen de bij 2.7 en 2.8 genoemde besluiten voert de rechtbank niet tot het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot die ordemaatregelen heeft kunnen komen.
De grond treft doel. Niet in geschil is dat de rechtspositionele maatregel een zelfstandig besluit en dat het daartegen gerichte bezwaar van eiser voor verweerder aanleiding is geweest die maatregel geheel te herroepen. Nu er geen onlosmakelijk verband is tussen het ambtsbericht en de maatregel heeft verweerder niet in redelijkheid kunnen besluiten dat eiser op een ondergeschikt punt in het gelijk is gesteld. Er is daarom geen aanleiding tot matiging (CRvB 28 maart 2006, JB 2006/198). De rechtbank zal het besluit op dit onderdeel vernietigen wegens strijd met de wet en verweerder veroordelen aan eiser alsnog een bedrag van € 874 te vergoeden voor het indienen van een bezwaarschrift en het bijwonen van de hoorzitting. Nu ten aanzien van dit besluit eiser op een ondergeschikt punt van het besluit in het gelijk is gesteld ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 2, tweede lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht het bedrag van de kosten in beroep te matigen met de factor 0,5.
Beslissing
- verklaart het beroep AWB 12/497 ongegrond;
- verklaart het beroep AWB 12/498 ongegrond,
- vernietigt uitsluitend het onderdeel van de beslissing op bezwaar betrekking hebben op de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar;
- voorziet zelf in de zaak en veroordeelt verweerder de proceskosten in bezwaar te vergoeden tot een bedrag van € 874, onder vermindering van reeds betaalde proceskosten;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van dit beroep tot een bedrag van € 472 aan eiser,
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 152 aan eiser te vergoeden;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2013.