Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
mr. C.P. Timmers, advocaat te Sommelsdijk, en door verdachte naar voren is gebracht.
Rechtbank Den Haag
Op 22 maart 2012 werd het stoffelijk overschot van het slachtoffer gevonden in het Rijn-Schiekanaal. Verdachte werd ervan beschuldigd samen met anderen het lijk te hebben verborgen en weggevoerd. Tijdens het onderzoek bleek dat verdachte de auto bestuurde waarin een koffer met mogelijk een lijk werd vervoerd. Verdachte stelde dat hij niet wist dat er een lijk in de koffer zat en vroeg zelfs aan een medeverdachte of dat het geval was, waarop deze geschrokken reageerde.
De officier van justitie en de verdediging waren het eens dat niet bewezen kon worden dat verdachte opzet had op het wegmaken van het lijk. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van medeverdachten die verdachte een actieve rol toedichten ongeloofwaardig waren en dat de verklaringen van verdachte, een medeverdachte en een getuige betrouwbaar waren en ondersteund werden door objectieve gegevens zoals camerabeelden.
De rechtbank concludeerde dat verdachte niet wist en ook niet behoorde te vermoeden dat er een lijk in de koffer zat. De enkele vraag van verdachte aan een medeverdachte was onvoldoende om opzet aan te nemen. Ook de informatie over de benedengemiddelde intelligentie van verdachte en zijn beïnvloedbaarheid ondersteunden dit oordeel. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding omdat verdachte werd vrijgesproken. De benadeelde partij werd veroordeeld in de kosten van de verdediging van verdachte, welke tot op heden nihil waren.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken omdat niet wettig en overtuigend is bewezen dat hij opzet had op het wegmaken van het lijk.