Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
de vennootschap onder firma [A], gevestigd te [plaats B], eiseres,
de vennoten [C] en [D],wonende te [plaats B], eiseres en de beide vennoten tezamen te noemen eiseres
[E] C.V., te [plaats F],
Procesverloop
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en het vooronderzoek heropend. Beide partijen zijn in de gelegenheid gesteld om bewijsmiddelen aan te dragen ter zake van de vraag of op de [a-straat] een bordje met de tekst “eigen weg” heeft gestaan, en zo ja, gedurende welke periode.
Overwegingen
Wettelijk kader
II. wanneer hij door het bevoegd gezag aan het openbaar verkeer is onttrokken.
a. openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg, als bedoeld onder b;
b. weg: wegen, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Terzake van de kaart uit 1912 geldt dat deze blijkens de waarmerking daarop behoort bij de omschrijving bebouwde kommen in de gemeente [plaats B], vastgesteld door het college van B en W op 14 december 1932. Hieruit blijkt niet dat de op die kaart voorkomende wegen geacht moeten worden op de legger voor te komen.
Terzake van de kaart uit 1980 geldt dat daarop als waarmerking is aangegeven: “Wegenoverzicht volgens wegenlegger d.d. 28 maart 1980”. De rechtbank overweegt dat artikel 30, eerste lid, van Wegenwet bepaalt dat de legger onder meer het nummer van de weg en de naam waaronder de weg bekend staat bevat. In het derde lid van artikel 30 is Pro bepaald dat tot de legger een overzichtskaart behoort op geen kleinere schaal dan 1 op
25 000, waarop de wegen met hun nummers zijn aangewezen. Dit is eveneens neergelegd in artikel 2 van Pro het Wegenleggerbesluit. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 mei 1994 (LJN: AN 3743, AB 1994, 437) volgt dat de overzichtskaart, gelet op artikel 30, derde lid, van de Wegenwet samen met artikel 2 van Pro het Wegenleggerbesluit, een wezenlijk onderdeel van de legger vormt. De rechtbank is echter, anders dan verweerder, van oordeel dat deze uitspraak van de Afdeling niet zonder meer met zich meebrengt dat alle wegen die op de kaart behorend bij de legger voorkomen geacht moeten worden in de legger te zijn opgenomen. Zoals uit de voornoemde wetsbepalingen blijkt moet ook het nummer van de weg zowel in de legger als op de bijbehorende kaart worden vermeld. Op de kaart van 1980 komt de [a-straat] weliswaar voor, maar zonder vermelding van naam en nummer. Andere wegen, zoals de [c-straat] en de [d-straat], zijn wel met naam en nummer op de kaart vermeld. De rechtbank is van oordeel dat het enkele voorkomen van de [a-straat] op de overzichtskaart van 1980 onvoldoende is om aan te nemen dat de [a-straat] inderdaad moet worden geacht te zijn opgenomen in de legger. Dat geldt temeer nu in artikel 2 van Pro het Wegenleggerbesluit tevens is bepaald dat voor de overzichtskaart een van Rijkswege uitgegeven topografische kaart wordt gebruikt, voor zover deze op de voorgeschreven schaal bestaat. Het is immers aannemelijk dat op een dergelijke topografische kaart alle wegen in een gebied staan ingetekend, en dus ook wegen die niet tot de legger behoren.