ECLI:NL:RBDHA:2013:19700
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum verblijfsvergunning bij buiten schuld niet kunnen vertrekken na DT&V bemiddeling
Eiser, zonder verblijfstitel en van onbekende nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van het beleid voor vreemdelingen die buiten hun schuld Nederland niet kunnen verlaten. Na afwijzing van zijn aanvraag en bezwaar, werd hem uiteindelijk een vergunning verleend met ingang van 11 juni 2012.
Eiser betwistte deze ingangsdatum en stelde dat de vergunning eerder had moeten ingaan, onder meer op het moment van zijn aanvraag of het verzoek om bemiddeling aan DT&V. De rechtbank onderzocht of aan de cumulatieve voorwaarden voor deze vergunning was voldaan, waaronder het zelfstandig benaderen van de relevante autoriteiten en het verzoek om bemiddeling bij DT&V.
De rechtbank concludeerde dat eiser pas op 3 maart 2012 aan alle voorwaarden voldeed, mede omdat de bemiddeling door DT&V bij de Russische en Georgische autoriteiten niet binnen een jaar tot resultaat leidde. De rechtbank achtte het onwenselijk dat de ingangsdatum afhankelijk zou zijn van de reactietijd van deze autoriteiten en stelde daarom de ingangsdatum vast op 3 maart 2012. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen de vergunning met die ingangsdatum te verstrekken.
Uitkomst: De ingangsdatum van de verblijfsvergunning wordt vastgesteld op 3 maart 2012 en het beroep wordt gegrond verklaard.