ECLI:NL:RBDHA:2013:19455
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende vooringenomenheid bij samenvoeging zittingen
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen een rechter van de rechtbank Den Haag vanwege de samenvoeging van vier zaken, waaronder drie IB-aangiften en één VAR-zaak, die gezamenlijk op één zitting werden behandeld. Verzoeker stelde dat deze samenvoeging de schijn van vooringenomenheid wekte en onaanvaardbaar was.
De rechter gaf aan dat de gezamenlijke agendering een procesrechtelijke en organisatorische beslissing was, mede ingegeven door het feit dat dezelfde gemachtigde in meerdere vergelijkbare zaken optrad. Er was geen sprake van partijdigheid of schijn daarvan. Tevens was de wrakingskamer niet bevoegd om in te gaan op bezwaren die betrekking hadden op een zitting van het Gerechtshof.
De wrakingskamer oordeelde dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor het tegendeel. De organisatorische keuze tot samenvoeging van zittingen was onvoldoende om onpartijdigheid te betwijfelen. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en het proces in de hoofdzaak kon worden voortgezet.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wegens vermeende vooringenomenheid bij samenvoeging van zittingen wordt afgewezen.