ECLI:NL:RBDHA:2013:19307

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2013
Publicatiedatum
1 april 2014
Zaaknummer
454861/ KG RK 13-2174
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 RvArt. 39 RvArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter in huurgeschil

In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter die betrokken was bij een huurgeschil. Het verzoek betrof de beslissing van de kantonrechter om huisgenoten van belanghebbende toe te laten als publiek bij een getuigenverhoor, wat verzoeker als partijdig beschouwde.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld en geoordeeld dat de beslissing van de kantonrechter een processuele aard heeft en op zichzelf geen grond vormt voor wraking. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die een gebrek aan onpartijdigheid of de schijn daarvan aannemelijk maken.

De kamer benadrukte dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen. De juistheid van de beslissing kan in hoger beroep aan de orde worden gesteld, maar niet via wraking.

Het wrakingsverzoek is daarom afgewezen en de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij het indienen van het verzoek. Er is geen sprake van misbruik van wrakingsrecht.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter is afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer
Wrakingnummer 2013/54
rekestnummer: 454861/ KG RK 13-2174
rolnummer: 1262470 CV EXPL 13-2263
datum beslissing: 9 december 2013
BESLISSING
op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RV) in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker,
strekkende tot wraking van:
mr. M.G.L. den Os-Brand,
kantonrechter in de rechtbank Den Haag (hierna: de kantonrechter).
Belanghebbende:
de stichting
Stichting [A],
gevestigd te [plaats],
advocaat: mr. K.A.M. Jaspers.

1.De voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1
Op 16 april 2013 heeft belanghebbende verzoeker gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van deze rechtbank, sector kanton, ter zake van een huurgeschil.
Op 21 augustus 2013 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen. Verzoeker heeft de
kantonrechter bij schriftelijk verzoek van 28 augustus 2013 gewraakt. Bij beslissing van de
wrakingskamer van 30 september 2013 is voornoemd wrakingsverzoek niet-ontvankelijk
verklaard voor zover het verzoek gebaseerd is op uitlatingen van de kantonrechter ter
comparitie en is het wrakingsverzoek voor het overige afgewezen (wrakingsnr. 2013/45).
1.2
Ingevolge het tussenvonnis van de kantonrechter van 21 augustus 2013 is ter zitting
van de kantonrechter van 18 november 2013 een getuigenverhoor gepland. Voorafgaand aan
het geplande getuigenverhoor heeft de kantonrechter ter zitting meegedeeld dat het
getuigenverhoor een openbare terechtzitting is en dat de in de wachtruimte aanwezige
personen, voor zover zij niet als getuigen zijn aangezegd door belanghebbende, bij de
getuigenverhoren aanwezig mogen zijn. Verzoeker heeft daarop de kantonrechter mondeling
ter zitting gewraakt. Het getuigenverhoor heeft niet plaatsgevonden en de kantonrechter
heeft de behandeling ter zitting geschorst.
De kantonrechter heeft bij brief van 19 november 2013 gereageerd op het wrakingsverzoek en meegedeeld geen gebruik te zullen maken van de mogelijkheid om ter zitting van de wrakingskamer te worden gehoord. Verzoeker noch belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting van de wrakingskamer een schriftelijke reactie ingediend.

2.De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 25 november 2013 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker is in persoon verschenen. De kantonrechter en belanghebbende zijn niet verschenen.

3.Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft ter zitting van de wrakingskamer aan het wrakingsverzoek - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.
Verzoeker heeft ter zitting van de kantonrechter op 18 november 2013 niet kunnen aangeven welke, in het publiek aanwezige, huisgenoten hij mogelijk in contra-enquête als getuigen zou willen voorbrengen. Hij kan deze opgave eerst doen aan de hand van hetgeen de reeds aangezegde getuigen verklaren bij het getuigenverhoor. Om die reden was verzoeker van mening dat de in het publiek aanwezige huisgenoten niet aanwezig zouden moeten zijn bij het getuigenverhoor. Verzoeker stelt dat de beslissing van de kantonrechter omtrent de aanwezigheid van de huisgenoten bij het te houden getuigenverhoor getuigt van partijdigheid, nu deze beslissing werkt in het voordeel van belanghebbende.

4.Het standpunt van de kantonrechter

De kantonrechter heeft zich op het standpunt gesteld dat de verwerping van het bezwaar van verzoeker tegen de aanwezigheid van een aantal huisgenoten bij het getuigenverhoor een processuele beslissing betreft. Deze beslissing levert in beginsel geen grond op voor wraking. Feiten of omstandigheden die grond geven te vrezen dat het de kantonrechter aan onpartijdigheid ontbreekt of dat de schijn van vooringenomenheid is gewekt, zijn gesteld noch aannemelijk geworden.

5.De beoordeling

5.1
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
5.2
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.
5.3
De wrakingsgronden zien op een beslissing omtrent de regie van een eventueel getuigenverhoor van de kantonrechter tijdens de zitting op 18 november 2013. Uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 18 november 2013 en hetgeen verzoeker thans ter zitting van de wrakingskamer naar voren heeft gebracht, blijkt slechts van een genomen processuele beslissing. In het algemeen levert (onvrede over) een processuele beslissing geen grond voor wraking op, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn die grond geven te vrezen dat het een rechter aan onpartijdigheid ontbreekt of waardoor de schijn van vooringenomenheid jegens verzoeker is gewekt. Naar het oordeel van de wrakingskamer zijn dergelijke omstandigheden gesteld noch aannemelijk geworden. De juistheid van de onderhavige beslissing kan niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld. Die vraag kan in een eventueel hoger beroep aan de orde worden gesteld.
5.4
Aan het verzoek van de kantonrechter om te bepalen dat een eventueel volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen zal niet worden tegemoetgekomen. Niet gebleken is van feiten of omstandigheden die nopen tot de conclusie dat sprake is geweest van misbruik van het middel van wraking.
5.5
Een en ander leidt tot de conclusie dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen.

6.De beslissing

De wrakingskamer:
- wijst het wrakingsverzoek voor af;
- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, Rv wordt toegezonden aan:
• verzoeker;
• de (advocaat van de) belanghebbende;
• de kantonrechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. D. Aarts, J.A. van Steen en A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van A.J. van Rossum als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2013.