ECLI:NL:RBDHA:2013:19097
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening inzake verblijfsvergunning langdurig verblijvende kinderen na vertrek uit EU
Verzoekers, allen van Armeense nationaliteit, vroegen een verblijfsvergunning op grond van de Overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen. Deze aanvraag werd afgewezen omdat verzoekers aantoonbaar de Europese Unie hadden verlaten op 29 juli 2004. Verzoekers stelden dat het beleid onredelijk was en dat de beslissing van vertrek niet aan het kind kon worden toegerekend, verwijzend naar het IVRK.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder een ruime beleidsvrijheid heeft en dat het beleid gericht is op kinderen die langdurig in Nederland verblijven zonder uitzicht op een verblijfsvergunning. Aantoonbaar vertrek uit de EU duidt op het ontbreken van een dergelijke situatie, waardoor de contra-indicatie terecht werd toegepast.
Verder werd geoordeeld dat het beleid niet in strijd is met het non-discriminatiebeginsel van het IVRK, omdat het onderscheid een redelijk doel dient en proportioneel is. Ook bijzondere persoonlijke omstandigheden van verzoekster 1, zoals integratie en familiebanden, vormden geen reden tot afwijking van het beleid.
Het beroep op artikel 8 EVRM Pro slaagde niet omdat het privéleven van verzoekster 1 niet zodanig wordt aangetast dat verblijf ontzegd zou moeten worden. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.