ECLI:NL:RBDHA:2013:16261
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Nareisbeleid en onderscheid in gezinshereniging bij asielvergunningen
Eiseres, een Somalische vrouw, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging in het kader van nareis. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij ten tijde van het vertrek van referent uit Somalië feitelijk tot diens gezin behoorde. Eiseres was pas na vertrek gehuwd met referent, wat volgens het beleid een vereiste is voor nareis.
Eiseres voerde aan dat dit onderscheid in behandeling niet gerechtvaardigd is op grond van artikel 9, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn en het EVRM, met name artikel 14 en Pro artikel 8. De rechtbank overwoog dat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing is op verblijfsvergunningen op de b-, c- of d-grond van artikel 29 Vw Pro 2000 en dat het enkele feit dat een staat internationale verplichtingen nakomt geen objectieve rechtvaardiging vormt voor het onderscheid in behandeling.
Verweerder kon niet voldoende motiveren waarom het nareisbeleid voor asielvergunningen op de a-grond anders wordt toegepast dan voor andere gronden. De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was en in strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 29 november 2013.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het nareisvisum wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en strijd met het gelijkheidsbeginsel.