ECLI:NL:RBDHA:2013:14897
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.W. Ente
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning kennismigrant met terugwerkende kracht bevestigd
Eiser had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als kennismigrant, verleend met ingang van 10 maart 2010 tot 1 maart 2011. De staatssecretaris heeft deze vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken omdat eiser nooit arbeid in loondienst heeft verricht waarvoor de vergunning was verleend.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze intrekking en tevens een aanvraag ingediend voor wijziging van de verblijfsvergunning naar verblijf bij echtgenote, welke aanvraag en het daaropvolgende bezwaar ongegrond zijn verklaard. De rechtbank oordeelt dat de intrekking terecht is en dat de staatssecretaris niet ambtshalve hoefde te onderzoeken of eiser op andere gronden recht had op een verblijfsvergunning.
Het beroep op artikel 8 EVRM Pro wordt verworpen omdat eiser door de terugwerkende intrekking nimmer rechtmatig verblijf had. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning als kennismigrant met terugwerkende kracht wordt ongegrond verklaard.