Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- het op 31 mei 2013 ingekomen verzoekschrift,
- het op 3 oktober 2013 ingekomen verweerschrift.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker, een TBS-gestelde, vordert een voorlopig getuigenverhoor om bewijs te verzamelen dat zijn plaatsing in een longstayvoorziening van maart 2006 tot september 2010 onterecht was en hij daardoor onrechtmatig is behandeld, wat tot immateriële schade zou hebben geleid. Hij baseert dit op een pro justitia rapport van april 2010, waarin wordt gesteld dat behandelmogelijkheden niet optimaal zijn benut en de longstayplaatsing te vroeg is aangevraagd.
De rechtbank stelt vast dat tegen het besluit van de minister tot longstayplaatsing een administratiefrechtelijke rechtsgang openstond, die door verzoeker is benut bij de RSJ. Deze heeft het besluit in stand gelaten, waardoor het besluit formele rechtskracht heeft gekregen. De rechtbank oordeelt dat de burgerlijke rechter in beginsel niet kan afwijken van deze formele rechtskracht.
De vraag of deze formele rechtskracht doorbroken kan worden, is een juridische kwestie die in een bodemprocedure moet worden beantwoord. Het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor is in dit stadium prematuur omdat het horen van getuigen niet nodig is voor die juridische beoordeling. Verzoeker heeft ook nagelaten om de minister te verzoeken om een heroverweging op basis van vermeende onjuiste informatie aan de RSJ.
De rechtbank concludeert dat het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor misbruik van procesrecht oplevert zolang niet vaststaat dat de formele rechtskracht van het besluit wordt doorbroken. Daarom wijst de rechtbank het verzoek af en veroordeelt verzoeker in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor wordt afgewezen wegens het niet doorbreken van de formele rechtskracht van het longstayplaatsingsbesluit.