ECLI:NL:RBDHA:2013:14191
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren vreemdelingenbewaring en zicht op uitzetting naar China
Eiser, een Chinese nationaliteit, is op 8 augustus 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eerder werd een eerste beroep op 30 augustus 2013 ongegrond verklaard. Eiser betwist het zicht op uitzetting naar China en stelt dat hij zijn originele paspoort kwijt is, wat de uitzetting zou bemoeilijken.
De rechtbank stelt vast dat op basis van een beslissing op een Wob-verzoek blijkt dat in 2012 en 2013 geen door Chinese autoriteiten gehonoreerde laissez passer-aanvragen zijn geregistreerd, waardoor het zicht op uitzetting via een laissez passer discutabel is. Echter kan eiser zelfstandig naar China terugkeren met zijn originele paspoort, waarvan een kopie aanwezig is en waarvan uit het vertrekgesprek blijkt dat hij het in 2010 terug heeft gekregen.
Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij het originele paspoort niet meer bezit, noch heeft hij dit onderbouwd met bijvoorbeeld een aangifte van vermissing. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting, terwijl van hem verwacht mag worden dat hij duidelijkheid verschaft over zijn paspoort.
Gelet op deze omstandigheden is het zicht op uitzetting afhankelijk van de opstelling van eiser, maar er is geen reden te veronderstellen dat dit zicht geheel ontbreekt. De rechtbank acht de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet in strijd met de Vreemdelingenwet 2000 en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wordt het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.