ECLI:NL:RBDHA:2013:13810

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 september 2013
Publicatiedatum
16 oktober 2013
Zaaknummer
C-09-450866, JE RK 12-2366
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:254 BWArt. 1:261 BWWet op de jeugdzorg
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige na cocaïne-intoxicatie

De rechtbank Den Haag heeft op 30 september 2013 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige tot 22 oktober 2014 en machtigde de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden/Zuid-Holland tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht. Dit besluit volgt op een ernstig incident waarbij de minderjarige in oktober 2012 cocaïne binnenkreeg en in kritieke toestand op de Intensive Care werd opgenomen.

De moeder, die het ouderlijk gezag alleen uitoefent, vertoonde een gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef. In het huis werd een operationeel drugslaboratorium aangetroffen. De moeder was in juli 2013 vrijgekomen uit detentie en woont sindsdien onder begeleiding bij haar moeder. De minderjarige verblijft feitelijk in een netwerkpleeggezin en de familie is betrokken maar heeft ook een verleden met drugshandel.

De kinderrechter oordeelt dat de gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, zoals genoemd in de artikelen 1:254 en 1:261 van het Burgerlijk Wetboek, aanwezig zijn. De ondertoezichtstelling wordt verlengd en de uithuisplaatsing wordt gemachtigd om de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige te waarborgen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd en uithuisplaatsing wordt gemachtigd tot 22 oktober 2014.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Kinderrechter
Zaaknummer: C/09/450866
Rekestnummer: JE RK 13-2366
Datum beschikking: 30 september 2013

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikking op het op 13 september 2013 ingekomen verzoekschrift van:

eerst Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam,
na vervanging: Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland/Haaglanden
met betrekking tot de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats];
kind van:
[A],
de moeder,
wonende te [woonplaats],
die het ouderlijk gezag alleen uitoefent.
De minderjarige verblijft feitelijk in een netwerkpleeggezin.

Procedure

De kinderrechter heeft kennisgenomen van:
- het verzoekschrift, met als bijlage het hulpverleningsplan en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling;
- het indicatiebesluit d.d. 2 januari 2013 met de daarbij behorende aanvraag;
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 30 september 2013.
Op 30 september 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld.
Hierbij zijn verschenen:
mevrouw [B] namens Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam;
de moeder, bijgestaan door mr. M. Rijser, advocaat te Amsterdam.

Feiten

De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking d.d. 22 oktober 2012 de minderjarige onder toezicht gesteld van 22 oktober 2012 tot 22 oktober 2013.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 30 september 2013 (zaaknummer: C/09/450882, rekestnummer: JE RK 13-2370) Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam vervangen door Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland/Haaglanden (verder Bureau Jeugdzorg).

Verzoek

Het verzoek, na vervanging van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam geacht te zijn ingediend door Bureau Jeugdzorg, strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar alsmede tot machtiging de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen conform het indicatiebesluit gedateerd 2 januari 2013.
De moeder heeft zich niet tegen toewijzing van het verzoek verzet doch verzocht de machtiging voor een kortere periode uit te spreken dan is verzocht.

Beoordeling

Het verzoek is, kort weergegeven, als volgt gemotiveerd. De minderjarige heeft in de thuissituatie bij de moeder op 2 oktober 2012 cocaïne in zijn mond gekregen en is daarna in kritieke toestand op de Intensive Care opgenomen. De intoxicatie was van levensbedreigende aard. In huis werd een operationeel drugslaboratorium aangetroffen, met alle gevaren van dien. Het politiedossier waaruit deze informatie blijkt en waarover Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam beschikt, zal nog overgedragen worden door Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam aan Bureau Jeugdzorg.
De vader is nog steeds voortvluchtig. De moeder is in juli 2013 vrijgekomen en woont bij de grootmoeder moederszijde. Als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk opgelegde straf is bepaald dat zij begeleid moet gaan wonen. Dat zal een periode beslaan die tussen zes maanden en drie jaar kan duren.
De minderjarige bleek niet bij een consultatiebureau te zijn ingeschreven en had maar één inenting gehad. Hij is na zijn ziekenhuisopname geplaatst bij een pleeggezin en verblijft sinds februari 2013 bij een zus van de grootvader moederszijde en haar partner. Zij zijn inmiddels gescreend en goed bevonden.
De familie van de moeder toont zich betrokken bij de minderjarige. Zij zijn echter ook eerder betrokken bij drugshandel. Grootvader is eerder veroordeeld voor betrokkenheid bij het prepareren en handelen in cocaïne, destijds tussen 100 en 200 kilogram. De zaak tegen de grootmoeder is toen geseponeerd. De grootmoeder heeft er moeite mee om de afspraken met en positie van het pleeggezin te respecteren. Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam heeft de bezoekregeling van de moeder bij de minderjarige gesteld op een keer per week. Men wil zicht krijgen op de vaardigheden van de moeder.
Het gaat nu goed met de minderjarige hoewel er nog geen duidelijkheid bestaat over de gevolgen van de cocaïnevergiftiging voor zijn gezondheid en ontwikkeling op lange termijn. Hij wordt om de zes maanden in het ziekenhuis gecontroleerd.
De begeleiding dient te worden zekergesteld middels een ondertoezichtstelling. De uithuisplaatsing in het netwerkpleeggezin moet voortgang vinden, zolang er niet meer zicht is op de opvoedvaardigheden van de moeder.
De huidige indicatie heeft een looptijd tot 11 januari 2014. Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam gaat ervan uit dat Bureau Jeugdzorg een nieuwe indicatie zal geven die tot 22 oktober 2014 geldt.
Namens de moeder is verzocht de te verlenen machtiging in duur te beperken, nu ook het indicatiebesluit van beperkte duur is.
De moeder heeft nog onder meer het volgende opgemerkt. De drugs in huis waren niet van haar en zij heeft de chemische stoffen niet gezien. Het huis waarin het incident plaatsvond, was niet van haar maar van de vader van de minderjarige. Zij woonde er wel maar wist niet wat hij allemaal bewaarde. Er waren misschien wel spullen in huis maar de term laboratorium was voor die situatie te zwaar. Zij heeft een gevangenisstraf gekregen van vijftien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk. Ze is niet in hoger beroep gegaan. De minderjarige stond in Den Haag ingeschreven maar de moeder ging met hem naar het consultatiebureau in Amsterdam. De moeder weet niet waar de vader zich nu bevindt.
De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlengen als verzocht. Een gezinsvoogd zal in de door Bureau Jeugdzorg geschetste omstandigheden de opvoeding en ontwikkeling van de minderjarige nauwlettend in het oog moeten houden en adequate hulp moeten inzetten.
Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn.
De plaatsing van de minderjarige dient te worden zekergesteld.
De kinderrechter merkt hierbij op dat Bureau Jeugdzorg voor een nieuw indicatiebesluit zal dienen zorg te dragen.
Hierbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder, onder verwijzing naar het gebleken gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef bij de moeder en het feit dat de minderjarige - onder haar hoede - bijna is doodgegaan door intoxicatie van cocaïne, dat het een klein wonder is te noemen dat Bureau Jeugdzorg terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder kennelijk nog niet heeft uitgesloten.
Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige
van 22 oktober 2013 tot 22 oktober 2014 met behoud van Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden/Zuid-Holland, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg;
en
machtigt Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden/Zuid-Holland, de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen
van 22 oktober 2013 tot 22 oktober 2014, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluit d.d. 2 januari 2013;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.C. Koekman, kinderrechter,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2013,
in tegenwoordigheid van mr. E.A.W. Hoefnagels als griffier.
Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen
drie maandenna de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof te Den Haag.