ECLI:NL:RBDHA:2013:11194
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering tot invrijheidstelling na herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling
Eiser is veroordeeld tot gevangenisstraffen en voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Na een nieuwe veroordeling wegens winkeldiefstal en fietsendiefstal is zijn voorwaardelijke invrijheidstelling geschorst en later herroepen. Eiser vordert in kort geding onmiddellijke invrijheidstelling, stellende dat de schorsing is geëindigd en dat hij onrechtmatig wordt vastgehouden.
De rechtbank oordeelt dat de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling kracht blijft houden totdat onherroepelijk over de herroeping is beslist. Eiser kan op grond van artikel 15h lid 8 Sr bij het hof een verzoek tot invrijheidstelling indienen, wat een snelle en met waarborgen omklede rechtsgang biedt die vergelijkbaar is met kort geding.
Daarom is eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering. De rechtbank wijst erop dat het systeem van de wet het onwenselijk maakt om iemand na een voorlopige schorsing in vrijheid te stellen alvorens de herroeping onherroepelijk is. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot onmiddellijke invrijheidstelling na herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.