ECLI:NL:RBDHA:2013:11100
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en herroeping inreisverbod wegens ondeugdelijke wettelijke grondslag
Eiseres, een Turkse nationaliteit houdende vrouw, had een verblijfsvergunning ingetrokken gekregen en een inreisverbod opgelegd. Zij keerde terug naar Turkije en stelde beroep in tegen beide besluiten. De rechtbank oordeelde dat zij geen procesbelang meer had bij de intrekking van de verblijfsvergunning omdat zij Nederland had verlaten, waardoor dat deel van het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.
Voor het inreisverbod stelde de rechtbank vast dat eiseres wel procesbelang had, omdat het inreisverbod haar terugkeer naar Nederland kan belemmeren. De rechtbank oordeelde dat het inreisverbod gebaseerd was op artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, maar dat deze bepaling niet extensief mag worden uitgelegd. Intrekking van een verblijfsvergunning valt niet onder de grondslag voor het opleggen van een inreisverbod, waardoor het besluit ondeugdelijk was.
De rechtbank vernietigde daarom het deel van het besluit dat het inreisverbod handhaafde en besloot zelf het inreisverbod te herroepen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres. De uitspraak werd gedaan door rechter B.F.Th. de Roos en griffier J. Loonstra op 29 augustus 2013.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod is gegrond verklaard, het inreisverbod vernietigd en herroepen; het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning is niet-ontvankelijk.