In deze bestuursrechtelijke procedure bij de rechtbank Den Haag heeft verzoeker tweemaal een mondeling verzoek tot wraking van de bestuursrechter ingediend. Het eerste verzoek werd afgewezen op 4 maart 2013. Bij de voortzetting van de hoofdzaak op 4 april 2013 diende verzoeker opnieuw een wrakingsverzoek in. Dit verzoek werd door een wrakingskamer behandeld, waarna een tweede wrakingskamer het verzoek tot wraking van de eerste wrakingskamer afwees en bepaalde dat verdere wrakingsverzoeken niet in behandeling zouden worden genomen vanwege misbruik van het wrakingsinstrument.
De wrakingskamer die het verzoek van 4 april 2013 behandelde, constateerde dat verzoeker en zijn gemachtigde niet verschenen waren bij de mondelinge behandeling op 3 juni 2013. Verzoeker stelde dat de bestuursrechter vooringenomen was omdat deze niet ter zitting op het verzoek tot planologische vergelijking had beslist. De wrakingskamer oordeelde dat een rechter uit hoofde van zijn functie wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die het tegendeel aantonen.
De wrakingskamer concludeerde dat de beslissing van de bestuursrechter om niet ter zitting te beslissen een procedurele beslissing is die geen grond voor wraking vormt, tenzij deze onbegrijpelijk is en wijst op vooringenomenheid. Dit was niet het geval. Er was geen aanwijzing dat de bestuursrechter vooringenomen was of de schijn daarvan had gewekt. Daarom wees de wrakingskamer het wrakingsverzoek af en bepaalde dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand van 4 april 2013. Een later wrakingsverzoek van 30 mei 2013 werd niet in behandeling genomen wegens misbruik van het wrakingsinstrument.