In deze zaak heeft verzoekster een wrakingsverzoek ingediend tegen kantonrechter F.J. Verbeek, die de hoofdzaak behandelde over het ontslag of de schorsing van haar broer als executeur van de nalatenschappen van hun ouders. Het wrakingsverzoek werd ingediend na een comparitie van partijen op 25 februari 2013. Hoewel het verzoek formeel te laat was ingediend, oordeelde de wrakingskamer dat verzoekster ontvankelijk was omdat zij aanvankelijk niet wist dat een wrakingsverzoek de juiste procedure was.
Verzoekster stelde dat de kantonrechter partijdig was, onder meer omdat deze bevestigend naar de wederpartij knikte, haar had geadviseerd het geschil los te laten en niet in hoger beroep te gaan, en haar niet toestond te reageren op emotionele uitingen van haar broer. De kantonrechter ontkende partijdigheid en gaf aan dat het niet toestaan van reacties bedoeld was om schikkingsonderhandelingen niet te frustreren.
De wrakingskamer oordeelde dat de kantonrechter uit hoofde van haar functie wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat verzoekster onvoldoende objectieve feiten had aangevoerd die een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleverden. Het voorlopige oordeel van de kantonrechter tijdens de comparitie kan niet leiden tot wraking. Het verzoek werd daarom afgewezen en het proces in de hoofdzaak werd voortgezet in de stand van het wrakingsverzoek.