ECLI:NL:RBBRE:2012:BZ2772
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Betaling wegens seksuele relatie niet aftrekbaar als ondernemingskosten
Belanghebbende, een advocaat, betaalde in 2004 een bedrag van €199.725 aan een vroegere cliënte waarmee hij een seksuele relatie had onderhouden. Hij bracht deze betaling in als onderhoudsverplichting en later als ondernemingskosten in zijn belastingaangifte. De inspecteur corrigeerde dit en weigerde de aftrek.
De rechtbank bevestigde dat de betaling voortkomt uit de privésfeer, aangezien de seksuele relatie niet binnen de zakelijke relatie met de cliënte valt. Eerder had de rechtbank in een procedure over 2003 al geoordeeld dat dergelijke betalingen niet als zakelijke kosten kunnen worden beschouwd, een oordeel dat door het gerechtshof en de Hoge Raad werd bevestigd.
Belanghebbende stelde dat de betaling in 2004 het gevolg was van afpersing en daarom wel als ondernemingskosten aftrekbaar zou zijn, maar de rechtbank vond dit onvoldoende onderbouwd. Ook de berekende heffingsrente werd gehandhaafd omdat de inspecteur tijdig had gehandeld na een afwachting van de Hoge Raad-uitspraak. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De betaling van €199.725 is niet aftrekbaar als ondernemingskosten en de heffingsrente is terecht opgelegd.