4 De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van mening dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het aan hem primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.
Hij is van mening dat verdachte wel als contactpersoon tussen medeverdachten [mededader 1] en [mededader 2] heeft gefungeerd en de dag voor de overval in het pand aan de [straatnaam] geweest is en daar met meubels gesjouwd heeft. Ook heeft medeverdachte [mededader 2] hem gevraagd of het pand op een echt kantoor leek.
Ondanks die rol als hulp en intermediair, kan volgens de officier van justitie niet gesteld worden dat verdachte het feit mede gepleegd heeft, aangezien verdachte niet betrokken was bij zowel het plannen van de overval als de uitvoering ervan op 28 januari 2010, terwijl hij ook geen beloning zou ontvangen voor zijn werkzaamheden.
Ook de medeplichtigheid van verdachte aan de overval kan volgens de officier van justitie niet bewezen worden, omdat zijn handelingen niet zodanig waren dat ze in voldoende mate hebben bijgedragen aan de voltooiing van het feit.
Tot slot hebben voor de officier van justitie de verklaringen van meerdere medeverdachten dat verdachte niets met het feit te maken, een rol gespeeld bij zijn conclusie tot vrijspraak.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat niet overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het primair en subsidiaire feit gepleegd heeft.
De verdediging wijst erop dat het onduidelijk is hoe vaak verdachte telefonisch contact met zijn medeverdachte [mededader 3] heeft gehad, maar dat dit aanzienlijk minder is geweest dan de 160 contacten die in het dossier vermeld worden en dat ook niet blijkt in welke periode dit is geweest. De mogelijke telefonische contacten tussen verdachte en medeverdachte [mededader 3] dienen daarom van het bewijs te worden uitgesloten. Dit geldt ook voor de verklaringen van medeverdachte [mededader 1] die volgens de verdediging aantoonbaar leugenachtig zijn. Voor zover de rechtbank de verklaring van [mededader 1] toch voor het bewijs zou willen gebruiken, wijst de verdediging erop dat onder andere [getuige 1] en medeverdachte [mededader 3] beiden verklaren dat verdachte niet bij de overval betrokken is en dat [mededader 1] in zijn meest betrouwbare verklaring van 10 mei 2010 niet over verdachte rept.
Verdachte is volgens de verdediging slechts één keer in het pand aan de [straatnaam] in Tilburg geweest. Toen heeft hij voor medeverdachte [mededader 2] meubels gesjouwd. Hij deed dit louter als vriendendienst omdat [mededader 2] verdachte ook hielp bij het uitmesten van zijn paardenstallen. Dit eenmalig sjouwen met meubelen kan niet tot de conclusie leiden dat verdachte wist wat er in het pand aan de [straatnaam] stond te gebeuren.
Ook sluit de verdediging niet uit dat één van de Duitse slachtoffers mogelijk zelf (mede) verantwoordelijk voor de overval is geweest.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair, dan wel subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan.
Op grond van met name de verklaringen van verdachte zelf, staat volgens de rechtbank vast dat verdachte de dag voor de overval met medeverdachte [mededader 2] in het pand aan de [straatnaam] 82 te Tilburg is geweest. Verdachte heeft daar geholpen met het verplaatsen van meubels.
Ook heeft verdachte opgetreden als contactpersoon tussen medeverdachten [mededader 1] en [mededader 2], die geen rechtstreeks telefonisch contact met elkaar wilden hebben.
Op basis van het dossier staat vast dat verdachte wist dat er zaken gedaan zouden worden in het pand, die niet helemaal pluis zouden zijn. Uit het dossier blijkt echter niet dat verdachte wetenschap had dat er een diefstal, laat staan een diefstal met geweld in de [straatnaam] plaats zou vinden. Indien verdachte deze wetenschap wel had, geldt het volgende.