ECLI:NL:RBBRE:2011:BU5296
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling renteaftrekbeperking artikel 10d Wet VPB en groepsbegrip
Belanghebbende, een BV die samen met haar dochtervennootschap een fiscale eenheid vormde, maakte bezwaar tegen een aanslag vennootschapsbelasting over 2007 waarbij een renteaftrekbeperking werd toegepast op leningen van verbonden lichamen. De rechtbank onderzocht of artikel 10d van de Wet VPB in strijd is met de EU-richtlijn 2003/49/EG, of belanghebbende deel uitmaakt van een groep in de zin van artikel 2:24b BW, en of de toepassing van artikel 10d in deze binnenlandse situatie in strijd is met het doel en de strekking van de wet.
De rechtbank concludeerde op basis van een arrest van het Hof van Justitie van de EU dat de renteaftrekbeperking na de grondslagbepaling verenigbaar is met de richtlijn. Vervolgens werd vastgesteld dat belanghebbende en [Holding B] Holding een groep vormden omdat laatstgenoemde een meerderheidsbelang hield en daarmee beslissende zeggenschap kon uitoefenen, ondanks dat de feitelijke leiding gezamenlijk was. Ten slotte oordeelde de rechtbank dat de wet geen onderscheid maakt tussen binnenlandse en grensoverschrijdende situaties en dat dit niet strijdig is met het doel van de wet.
Het beroep van belanghebbende werd daarom ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd. De rechtbank zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de renteaftrekcorrectie op grond van artikel 10d Wet VPB wordt ongegrond verklaard.