ECLI:NL:RBBRE:2011:BU4679
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bijtelling privégebruik bestelauto niet uitgesloten wegens inrichting en gebruik
Belanghebbende, een ondernemer in lijstenmakerij en handel in ophangsystemen, gebruikte een bestelauto die onderdeel uitmaakt van zijn ondernemingsvermogen. De bestelauto heeft een bestuurders- en passagiersstoel en een laadruimte met een extra houten vloer. De passagiersstoel wordt regelmatig gebruikt voor het vervoer van een werknemer die helpt bij werkzaamheden.
De kern van het geschil was of de bestelauto door haar aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen, zoals bedoeld in artikel 3.20, lid 5, van de Wet inkomstenbelasting 2001. De inspecteur stelde dat dit niet het geval was, hetgeen belanghebbende betwistte.
De rechtbank oordeelde dat de bestelauto niet zodanig was ingericht dat het vervoer van personen onmogelijk of vrijwel onmogelijk was. Het feit dat de passagiersstoel regelmatig werd gebruikt en de laadruimte niet vervuild was, maakte dat de auto ook geschikt was voor personenvervoer. Daarom voldeed de bestelauto niet aan het criterium van uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt voor goederenvervoer.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en zag zij geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid van hoger beroep bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard omdat de bestelauto niet uitsluitend geschikt is voor goederenvervoer.