ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ8239
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter wegens vermeende vooringenomenheid
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter die betrokken was bij een procedure over een onbetaalde rekening van een besloten vennootschap waarvan verzoeker directeur en enig aandeelhouder is. Verzoeker stelde dat de kantonrechter onvoldoende technisch kundig was en mogelijk vooringenomen, mede omdat hij in een andere zaak een verkeerd vonnis zou hebben gewezen en verzoeker bij de Procureur-Generaal om ontslag van de kantonrechter had gevraagd.
De rechtbank oordeelde dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling onpartijdig wordt vermoed en dat alleen uitzonderlijke omstandigheden tot wraking kunnen leiden. Verzoeker bracht geen concrete feiten aan waaruit vooringenomenheid of de schijn daarvan bleek. Ook het feit dat verzoeker het niet eens was met een eerdere beslissing van de kantonrechter in een zaak tegen de besloten vennootschap, was onvoldoende om wraking te rechtvaardigen.
Daarnaast vond de rechtbank het prematuur om wraking te verzoeken voor toekomstige zaken waarbij verzoeker partij is. De wraking werd daarom afgewezen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Breda op 8 juni 2011 en is onherroepelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter is afgewezen wegens gebrek aan concrete feiten die vooringenomenheid aantonen.