ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ6128
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen aanslag inkomstenbelasting 2005 wegens niet in aanmerking nemen latere civielrechtelijke gevolgen
Belanghebbende, bestuurder en enig aandeelhouder van een failliete vennootschap, startte in 2005 een eenmanszaak en sloot diverse overeenkomsten met ondernemingen C en D voor de ontwikkeling en productie van een machine. In 2006 ontstond een geschil over deze overeenkomsten, die door ondernemingen C en D buitengerechtelijk werden vernietigd wegens dwaling. De rechtbank ’s-Hertogenbosch oordeelde dat belanghebbende onverschuldigd betalingen had ontvangen en deze moest terugbetalen.
De kern van het geschil in deze bestuursrechtelijke procedure was of de terug te betalen bedragen in 2005 ten laste van het resultaat konden worden gebracht. De rechtbank oordeelde dat het geschil pas in 2006 ontstond en daarmee geen feit of omstandigheid was die de situatie per balansdatum 31 december 2005 kon beïnvloeden. Daarom kon geen bedrag ten laste van het resultaat worden gebracht.
Belanghebbendes beroep op artikel 3:53 BW Pro, dat vernietiging terugwerkende kracht geeft, werd verworpen omdat in het fiscale recht de werkelijke feiten en omstandigheden op balansdatum bepalend zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 2005 wordt ongegrond verklaard omdat het civielrechtelijke geschil pas in 2006 ontstond en geen invloed heeft op de fiscale situatie per 31 december 2005.