ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ5805
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek beperkte kennisneming stukken in belastingzaak
In deze bestuursrechtelijke belastingzaak heeft de inspecteur een verzoek gedaan om beperkte kennisneming van diverse stukken die betrekking hebben op navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen tegen belanghebbenden. De rechtbank heeft de stukken integraal bestudeerd en een afweging gemaakt tussen het belang van belanghebbenden bij volledige inzage en het belang van de inspecteur bij geheimhouding op grond van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank stelt vast dat de stukken, waaronder Belgische aanbiedingsbrieven, nota's, bijlagen, proces-verbalen en memo's, relevant zijn voor de zaak maar dat de inspecteur zwaarwegende redenen heeft aangevoerd voor gedeeltelijke geheimhouding. Deze redenen betreffen met name de bescherming van persoonsgegevens van derden, controlestrategische overwegingen en het belang van de betrekkingen met andere staten.
Belanghebbenden hebben zich niet verzet tegen de anonimisering van persoonsgegevens en erkennen het belang van geheimhouding in bepaalde gevallen. De rechtbank concludeert dat de belangen van de inspecteur bij bescherming van privacy en effectieve controle zwaarder wegen dan het belang van belanghebbenden bij volledige openbaring van de stukken.
De rechtbank wijst het beroep van belanghebbenden op volledige kennisneming af en verklaart het beroep van de inspecteur op artikel 8:29 Awb Pro gegrond. De beslissing is genomen na een zitting in de geheimhoudingskamer en betreft een tussenbeslissing die niet eerder kan worden aangevochten dan samen met het hoger beroep tegen de einduitspraak.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht beperkte kennisneming toepast en verklaart het beroep van de inspecteur op artikel 8:29 Awb gegrond.