ECLI:NL:RBBRE:2010:BN9443
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Kennelijk onredelijk ontslag en schadevergoeding op basis van inkomstenderving tot pensioengerechtigde leeftijd
Niederer, werknemer bij Zep Industries sinds 1980, werd per 31 oktober 2009 ontslagen. Hij vorderde dat het ontslag als kennelijk onredelijk werd aangemerkt en dat Zep Industries hem een schadevergoeding betaalde van €129.600 bruto, vermeerderd met wettelijke rente. Zep Industries betwistte dit en stelde dat er sprake was van een bedrijfseconomische noodzaak en dat passend werk binnen de onderneming niet mogelijk was.
De kantonrechter stelde vast dat Niederer vanwege zijn leeftijd, eenzijdig arbeidsverleden en gebrek aan diploma's weinig kans had op herplaatsing en tot zijn AOW-leeftijd aangewezen zou zijn op een uitkering. Daartegenover stond dat Zep Industries voldoende rendement behaalde en er binnen de onderneming wel passend werk beschikbaar was, wat niet was onderzocht. De kantonrechter oordeelde dat de gevolgen voor Niederer ernstiger waren dan het belang van Zep Industries bij beëindiging van het dienstverband, waardoor het ontslag kennelijk onredelijk was.
De schade werd vastgesteld op basis van de verwachte inkomstenderving tot de pensioengerechtigde leeftijd (31 augustus 2018), rekening houdend met een 25% kans op hernieuwde werkhervatting. De schade werd geschat op €110.000 bruto, waarvan €99.000 aan Zep Industries werd toegerekend als passende schadeloosstelling. Daarnaast werd de wettelijke rente toegekend vanaf dagvaarding. Zep Industries werd veroordeeld tot betaling van deze bedragen en de proceskosten.
Uitkomst: Het ontslag is kennelijk onredelijk en Zep Industries moet €99.000 bruto plus wettelijke rente en proceskosten aan Niederer betalen.