ECLI:NL:RBBRE:2010:BL6722
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing bestuurlijke lus bij weigering Verklaring Omtrent Gedrag voor taxichauffeur
Eiser verzocht om een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) ten behoeve van een chauffeurspas, welke door verweerder werd geweigerd op grond van strafbare feiten in de justitiële documentatie, waaronder verduistering in dienstbetrekking en rijden zonder verzekering. Verweerder baseerde zijn besluit op het screeningsprofiel taxichauffeur en een belangenafweging waarbij het maatschappelijk belang zwaarder woog dan het persoonlijke belang van eiser.
Eiser betoogde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met het feit dat hij in dienstbetrekking zou werken, dat de werkgever voor verzekering zou zorgen, dat een van de strafbare feiten in hoger beroep was vervallen en dat hij vanwege medische beperkingen slechts beperkt werk kan verrichten. Tevens stelde eiser dat de belangenafweging niet zorgvuldig was en onvoldoende gemotiveerd.
De rechtbank oordeelde dat verweerder niet alle relevante feiten en belangen had betrokken bij zijn besluit, wat een gebrek aan zorgvuldigheid oplevert in de zin van artikel 3:2 Awb Pro. Omdat verweerder niet aanwezig was bij de zitting en niet had gereageerd, stelde de rechtbank hem met toepassing van de bestuurlijke lus (art. 8:51a Awb) in de gelegenheid het gebrek te herstellen door nader onderzoek en een nieuwe belangenafweging. De rechtbank nam geen beslissing over griffierecht en proceskosten en wees erop dat tegen deze tussenuitspraak geen hoger beroep openstaat.
Uitkomst: De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid het besluit tot weigering van de VOG te heroverwegen met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden.