ECLI:NL:RBBRE:2009:BK6095
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing ter beschikkingsstellingsregeling bij gesplitste aankoop van onroerende zaken met vruchtgebruik
Belanghebbende verwierf in 1997 en 1998 de blote eigendom van onroerende zaken van vennootschappen waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, terwijl de vennootschappen het vruchtgebruik voorbehouden. De inspecteur rekende het aandeel in de blote eigendom tot het belastbaar inkomen uit werk en woning op grond van artikel 3.92 Wet IB 2001.
Belanghebbende voerde aan dat deze regeling niet van toepassing is omdat hij nooit eigenaar was van de volledige vermogensbestanddelen en deze dus niet ter beschikking kon stellen. De rechtbank betrok de parlementaire geschiedenis en concludeerde dat de regeling ook geldt voor situaties van gesplitste aankoop waarbij het vruchtgebruik bij de vennootschappen ligt en de blote eigendom bij de belastingplichtige.
De rechtbank vond geen rechtvaardiging voor een fiscaal onderscheid tussen gesplitste aankoop en de onderhavige situatie. De ruime uitleg van 'ter beschikking stellen' voorkomt belastingarbitrage en zorgt voor een consistente fiscale behandeling.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde zij de toepassing van artikel 3.92 Wet IB 2001 op de situatie van belanghebbende. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en artikel 3.92 Wet IB 2001 wordt toegepast.