ECLI:NL:RBBRE:2009:BK0884
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Poolse vennootschap aansprakelijk voor naheffingsaanslag loonbelasting wegens dienstbetrekking Poolse arbeidskrachten
Belanghebbende, een Poolse vennootschap met een vaste inrichting in Nederland, exploiteerde een scheepswerf waar tussen 1999 en 2001 Poolse arbeidskrachten werkzaam waren. De inspecteur legde naheffingsaanslagen loonbelasting en premie volksverzekeringen op omdat geen inhoudingen waren gedaan. De kern van het geschil was of de arbeidskrachten in dienstbetrekking stonden tot belanghebbende.
De rechtbank stelde vast dat er sprake was van een gezagsverhouding, persoonlijke arbeid en loonbetaling, de drie vereisten voor een arbeidsovereenkomst volgens artikel 7:610 BW Pro en artikel 2 Wet Pro LB. Uit verklaringen van de arbeidskrachten bleek dat zij opdrachten kregen van leidinggevenden van belanghebbende, dat hun uren werden bijgehouden en dat zij verplicht waren gedurende een zekere tijd persoonlijk arbeid te verrichten. De contracten die zij hadden getekend waren volgens de rechtbank fictief en weerspiegelden niet de werkelijke arbeidsverhouding.
De rechtbank verwierp het verweer van belanghebbende dat de arbeidskrachten zelfstandigen waren en oordeelde dat het bewijsvermoeden van een dienstbetrekking niet was ontzenuwd. Ook de toepassing van het anoniementarief en het eindheffingsregime door de inspecteur werd geaccepteerd. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag bleef in stand.
Uitkomst: De naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen tegen de Poolse vennootschap wordt gehandhaafd omdat de arbeidskrachten in dienstbetrekking stonden.