ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ5902
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.A. den Hartog
- Rechtspraak.nl
Belastingplicht inkomstenbelasting bij gedeeltelijk buiten Nederland vervulde dienstbetrekking van zeevarende
Belanghebbende, woonachtig in België en werkzaam als zeevarende bij een Nederlands bedrijf aan boord van cruiseschepen die buiten Nederland opereren, betwistte de aanslag inkomstenbelasting over 2006. De inspecteur legde een aanslag op op grond van het feit dat de feitelijke leiding van de werkgever in Nederland zou zijn gevestigd.
De rechtbank stelde vast dat op grond van artikel 7.2, zevende lid, Wet IB 2001, slechts sprake kan zijn van Nederlandse belastingplicht indien ten minste een deel van de werkzaamheden in Nederland wordt verricht. Belanghebbende stelde onweersproken dat hij uitsluitend buiten Nederland werkte. De inspecteur kon niet aannemelijk maken dat werkzaamheden in Nederland plaatsvonden.
De rechtbank concludeerde dat Nederland geen inkomstenbelasting kan heffen over het loon van belanghebbende. De aanslag inkomstenbelasting werd vernietigd en verminderd tot nihil, terwijl de aanslag premie volksverzekeringen gehandhaafd bleef. De inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht werd aan belanghebbende vergoed.
De rechtbank hoefde niet te oordelen over de vraag of de feitelijke leiding van de onderneming in Nederland is gelegen of over het vertrouwensbeginsel. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Nederland mag geen inkomstenbelasting heffen over het loon van de zeevarende die uitsluitend buiten Nederland werkzaamheden verrichtte.