ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ1934
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- D. Hund
- Rechtspraak.nl
Beoordeling jaar van vervreemding en waardering aandelen bij verkoop binnen concern
Belanghebbende verkocht eind 2000 zijn aanmerkelijk belang in X BV aan Z BV, waarvan hij zelf enig aandeelhouder was, voor de nominale waarde. De juridische levering vond echter pas plaats in juli 2001, nadat de mede-aandeelhouder toestemming had gegeven conform de statutaire blokkeringsregeling. De rechtbank oordeelt dat de obligatoire overeenkomst pas in 2001 perfect is geworden, waardoor de vervreemding fiscaal in dat jaar plaatsvond.
De inspecteur stelde een navorderingsaanslag vast op basis van een hogere waarde van de aandelen, afgeleid van de verkoop aan een derde partij (Q BV) in 2002. De rechtbank acht deze waardering terecht omdat de verkoop aan Z BV niet onder normale omstandigheden plaatsvond en de prijs niet zakelijk was. Belanghebbende had de waarde niet onderbouwd en was bekend met de hogere waarde bij het indienen van zijn aangifte.
Verder oordeelt de rechtbank dat sprake is van een nieuw feit, omdat de inspecteur niet op de hoogte was van de vervreemdingswinst door het ontbreken van juiste aangifte. De opgelegde vergrijpboete van 50% wordt eveneens bevestigd omdat belanghebbende opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de navorderingsaanslag en boete wegens vervreemding in 2001 tegen een hogere waarde dan de nominale prijs.