ECLI:NL:RBBRE:2009:BH6971

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
6 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/755
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 AwbArt. 25 Invorderingswet 1990Art. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 6:15 Awb
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging aanmaningskosten wegens ontbreken schriftelijke kennisgeving vervallen uitstel betaling

Belanghebbende was bij beschikking aanmaningskosten opgelegd in verband met een naheffingsaanslag bestemmingsheffing over 1999. Tijdens bezwaar en beroep was uitstel van betaling verleend. De ontvanger stelde niet, noch maakte aannemelijk, dat belanghebbende schriftelijk op de hoogte was gesteld van het vervallen van dat uitstel. De rechtbank oordeelde dat dit in strijd is met artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en vernietigde daarom de kostenbeschikking.

Daarnaast stelde belanghebbende dat de naheffingsaanslag onterecht of te hoog was opgelegd. De uitspraak op bezwaar hierover dateert van 14 januari 2005. Het beroepschrift werd echter pas op 28 december 2007 ingediend, ruim na de zes weken beroepstermijn. Er waren geen omstandigheden die een verschoonbare termijnoverschrijding rechtvaardigden, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard voor zover het de naheffingsaanslag betrof.

De rechtbank wees het beroep toe voor de aanmaningskosten en wees het beroep af voor de naheffingsaanslag. Tevens werd het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoed. De uitspraak werd gedaan op 6 februari 2009 door rechter W. Brouwer.

Uitkomst: De kostenbeschikking aanmaningskosten wordt vernietigd wegens ontbreken schriftelijke kennisgeving, het beroep tegen de naheffingsaanslag is niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 08/755
Uitspraakdatum: 6 februari 2009
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
eiser,
en
de ontvanger,
verweerder.
Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder ontvanger.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de ontvanger van 19 december 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende bij beschikking in rekening gebrachte aanmaningskosten ter zake van de over 1999 opgelegde naheffingsaanslag bestemmingsheffing.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2009 te Breda. Aldaar is verschenen en gehoord belanghebbende. Namens de ontvanger is, met bericht aan de rechtbank, niemand verschenen.
1. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond voor zover dit betrekking heeft op de kostenbeschikking 1999;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de aanmaningskosten 1999;
- vernietigt de kostenbeschikking 1999;
- verklaart het beroep voor het overige niet-ontvankelijk;
- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.
2. Gronden
2.1. Tussen partijen is allereerst in geschil of aan belanghebbende terecht aanmaningskosten, tot een bedrag van € 6, in rekening zijn gebracht.
2.2. De rechtbank overweegt dat hangende bezwaar en beroep, behoudens ingeval van aanwezigheid van bijzondere omstandigheden, uitstel van betaling wordt verleend voor een naheffingsaanslag. Dit geschiedt, ingevolge artikel 25, eerste lid van de Invorderingswet 1990, voor bepaalde tijd. Ingevolge artikel 25, paragraaf 1, tiende lid van de Leidraad Invordering 1990 wordt de belastingschuldige, indien het verzoek om uitstel van betaling schriftelijk was ingediend, schriftelijk en onder opgaaf van reden, op de hoogte gesteld van het vervallen van uitstel van betaling.
2.3. Een bezwaarschrift en een beroepschrift dienen als schriftelijke verzoeken om uitstel van betaling te worden opgevat. Verweerder heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat belanghebbende schriftelijk op de hoogte is gesteld van het vervallen van uitstel van betaling.
2.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ontvanger gelet op het in 2.3 overwogene, gehandeld in strijd met artikel 4:84 van Pro de Awb. Het beroep is dan ook gegrond voor zover dit de kostenbeschikking betreft.
2.5. Voorts stelt belanghebbende dat de naheffingsaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is opgelegd.
2.6. De uitspraak op bezwaar betreffende de naheffingsaanslag is gedagtekend 14 januari 2005. De termijn waarbinnen belanghebbende beroep tegen deze uitspraak had kunnen aantekenen bedraagt, ingevolge artikel 6:9 van Pro de Awb, zes weken.
2.7. Het beroepschrift is gedateerd 19 december 2008 (bedoeld zal zijn 2007) en is op 28 december 2007 bij verweerder binnengekomen, die het stuk op grond van artikel 6:15 van Pro de Awb aan de rechtbank heeft doorgezonden.
2.8. Gelet op het in 2.6 en 2.7 overwogene is het beroepschrift ruim buiten de beroepstermijn ingediend. Omstandigheden op basis waarvan kan worden geoordeeld dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van Pro de Awb zijn gesteld noch aannemelijk geworden. Het beroep is dan ook niet-ontvankelijk voor zover het de naheffingsaanslag betreft.
2.9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
Deze uitspraak is gedaan op 6 februari 2009 door mr. W. Brouwer, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.