ECLI:NL:RBBRE:2008:BM5850
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen navorderingsaanslag vennootschapsbelasting en opgelegde boete
Belanghebbende werd geconfronteerd met een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2000 en een daarbij opgelegde boete. De kern van het geschil betrof een bedrag van ƒ 178.500 dat belanghebbende van een derde onderneming had ontvangen en waarvan zij stelde dat dit bedrag niet tot haar omzet behoorde, maar tot die van een andere onderneming.
De rechtbank oordeelde dat deze stelling afweek van de normale gang van zaken en dat de bewijslast daarom bij belanghebbende lag om aannemelijk te maken dat het bedrag niet tot haar omzet behoorde. Belanghebbende slaagde hier niet in, mede omdat in een ander jaar soortgelijke facturen wel als omzet waren verantwoord. Ook de stelling dat kosten in mindering moesten worden gebracht werd onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank achtte het aannemelijk dat sprake was van verzwegen omzet met opzet, waardoor de boete van 50% terecht was opgelegd. Ondanks de termijnoverschrijding zag de rechtbank geen reden tot matiging van de boete omdat belanghebbende niet tijdig de gevraagde stukken had verstrekt. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslag en de boete is ongegrond verklaard.