ECLI:NL:RBBRE:2008:BI9343
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke beoordeling aanvangstijdstip en waardering terbeschikkingstelling onroerend goed
Belanghebbende, directeur-grootaandeelhouder van een vennootschap, kocht samen met zijn echtgenote een pand dat zij direct verhuurden aan de vennootschap. De discussie betrof het aanvangstijdstip van de terbeschikkingstelling en de waardering van het pand en de schuld op de werkzaamheidsbalans voor de inkomstenbelasting 2003.
Belanghebbende stelde dat de terbeschikkingstelling begon op de aankoopdatum en dat het pand volgens artikel 3.25 Wet IB 2001 op kostprijs inclusief bijkomende kosten moest worden gewaardeerd. De inspecteur vond dat het pand pas ter beschikking werd gesteld bij feitelijke verhuur en dat de waarde op dat moment de economische waarde zonder bijkomende kosten moest zijn.
De rechtbank overwoog dat het aanvangstijdstip wordt bepaald door feitelijke terbeschikkingstelling, waarbij de aankoopdatum geldt omdat het pand direct voor verhuur aan de vennootschap beschikbaar werd gesteld. De waarde moet volgens de rechtbank de aanschafprijs plus bijkomende kosten zijn, om fiscale gelijkheid tussen ondernemers met en zonder vennootschap te waarborgen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, verminderde de aanslag en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank stelde vast dat de terbeschikkingstelling van het pand aanvangt op de aankoopdatum en dat het pand op de werkzaamheidsbalans moet worden opgenomen tegen de aanschafprijs inclusief bijkomende kosten, waardoor de aanslag werd verminderd.