ECLI:NL:RBBRE:2008:BG5020

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
2 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/72
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Wet BPMArt. 2 Uitvoeringsbesluit BPMArt. 3 Uitvoeringsbesluit BPMArt. 3a Uitvoeringsbesluit BPMArt. 4 Uitvoeringsbesluit BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek BPM-vrijstelling voor in België gehuurde auto door inwoner Nederland

Belanghebbende, woonachtig in Nederland, huurde op 1 juli 2007 een auto in België voor twaalf maanden. Deze auto, voorzien van een Belgisch kenteken, werd in Nederland gebruikt zonder dat BPM was betaald of een vrijstelling was verleend. Belanghebbende verzocht om vrijstelling van BPM, maar de inspecteur wees dit verzoek af.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet voldeed aan de voorwaarden uit de artikelen 2 tot en met 4 van het Uitvoeringsbesluit BPM, waardoor geen recht op vrijstelling bestaat. Ook een beroep op de artikelen 37 tot en met 39 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) werd verworpen, omdat deze bevoegdheden uitsluitend aan de wetgever toekomen.

Verder stelde belanghebbende dat de BPM-heffing in strijd zou zijn met het EG-Verdrag, maar de rechtbank stelde dat dit pas relevant is wanneer daadwerkelijk BPM wordt geheven. Gezien deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot BPM-vrijstelling wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 08/72
Uitspraakdatum: 2 oktober 2008
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
verweerder.
Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 5 december 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking afwijzing BPM-vrijstelling.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2008. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur.
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Gronden
2.1. Belanghebbende is woonachtig in Nederland en heeft op 1 juli 2007 een huurovereenkomst gesloten met de in België gevestigde maatschappij [BVBA]. Op grond van deze overeenkomst heeft belanghebbende voor de duur van twaalf maanden een auto van het merk [merk], [type], gehuurd (hierna: de auto). De auto is voorzien van het Belgische kenteken [00-00] en is niet in Nederland geregistreerd als personenauto in het krachtens de Wegenverkeerswet aangehouden register van opgegeven kentekens. Ter zake van de auto is geen BPM betaald noch is daarvoor een vrijstelling verleend.
2.2. Op 18 september 2007 heeft belanghebbende met de auto in Nederland gebruik gemaakt van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet. Bij deze constatering is aan belanghebbende een informatie- en waarschuwingsformulier uitgereikt. Belanghebbende heeft daarop met dagtekening 9 oktober 2007 een verzoek om vrijstelling van BPM ingediend bij de inspecteur. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen.
2.3. In geschil is of aan belanghebbende een vrijstelling van BPM moet worden verleend.
2.4. Op grond van artikel 14, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna Wet BPM) kan bij algemene maatregel van bestuur, onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen, vrijstelling van BPM worden verleend voor uit een ander land afkomstige personenauto’s en motorrijwielen. Aan deze bepaling is uitvoering gegeven in de artikelen 2, 3,3a en 4 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna het Uitvoeringsbesluit). Niet in geschil is dat belanghebbende niet voldoet aan de in de artikelen 2, 3, 3a en 4 van het Uitvoeringsbesluit gestelde voorwaarden. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat belanghebbende op grond van de Wet BPM niet in aanmerking komt voor een vrijstelling van BPM.
2.5. Belanghebbende heeft gesteld dat hij op grond van de artikelen 37, 38 en 39 van de AWR in aanmerking komt voor een vrijstelling van BPM. In deze artikelen zijn bevoegdheden opgenomen om in bepaalde gevallen regels te stellen in het kader van de voorkoming van dubbele belasting of vrijstelling van belasting. Deze bevoegdheden komen echter toe aan de wetgever en niet aan de inspecteur of rechter. De rechtbank verwerpt de stelling van belanghebbende dan ook.
2.6. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de heffing van BPM in het onderhavige geval in strijd is met de artikelen 49 tot en met 55 van het EG-Verdrag. Deze stelling kan belanghebbende voor het onderhavige geschil echter niet baten, daar naar het oordeel van de rechtbank een onderzoek naar de juistheid van die stelling pas aan de orde kan komen op het moment dat er daadwerkelijk BPM wordt geheven.
2.7. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.
3. Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 2 oktober 2008 door mr.drs. G.H.C. Blommers, voorzitter, mr. D. Hund, en mr.drs. M.G.J.M. van Kempen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.F. Jansen, griffier.
In verband met afwezigheid van de voorzitter, is de uitspraak ondertekend door mr. D. Hund.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.