ECLI:NL:RBBRE:2008:BD1028
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens onjuiste winstverklaring na verkoop gestolen auto’s
Belanghebbende werd geconfronteerd met een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 1999, opgelegd naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek waaruit bleek dat door of namens hem gestolen auto’s waren verkocht en valse facturen waren opgemaakt. De inspecteur stelde dat belanghebbende meer winst had genoten dan in zijn aangifte was verantwoord.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte had gedaan, mede op basis van het strafdossier en de aanwezigheid van valse facturen gericht aan niet-bestaande bedrijven. De omkering van de bewijslast werd toegepast omdat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde tegen de stellingen van de inspecteur.
Verder werd vastgesteld dat de navorderingsaanslag berustte op een redelijke schatting en niet op willekeur. Het beroep werd ongegrond verklaard. Ook de stelling van belanghebbende dat zijn hoorplicht was geschonden, werd verworpen omdat hij voldoende gelegenheid had gehad om gehoord te worden.
De rechtbank legde geen proceskostenveroordeling op en wees erop dat eventuele verrekening van verliezen uit latere jaren niet relevant was voor deze uitspraak.
Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 1999 wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aangifte.