ECLI:NL:RBBRE:2007:BK9089

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
29 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/1989 en 07/1988
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 AWRArt. 8:1 AwbArt. 24 Invorderingswet 1990Art. 8:5 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake verrekening belastingteruggaven

De ontvanger van de Belastingdienst heeft verzoeker geïnformeerd over de verrekening van teruggaaf omzetbelasting over het derde en vierde kwartaal van 2006 met diverse aanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en motorrijtuigenbelasting uit voorgaande jaren.

Verzoeker heeft vervolgens bij de rechtbank een voorlopige voorziening gevraagd om deze verrekeningen te corrigeren en de bedragen uit te betalen. De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid tot verrekening is geregeld in artikel 24 van Pro de Invorderingswet 1990 en dat tegen dergelijke verrekeningen geen beroep kan worden ingesteld bij de belastingrechter of bestuursrechter, omdat de Invorderingswet is opgenomen in de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht die dergelijke besluiten uitsluit van beroep.

De rechtbank stelt vast dat zij kennelijk onbevoegd is om over het verzoek te oordelen en wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Geschillen over verrekeningen dienen aan de civiele rechter te worden voorgelegd. Omdat de onbevoegdheid evident is, wordt de uitspraak gedaan zonder zitting en zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onbevoegdheid van de rechtbank.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 07/1989 en 07/1988
Uitspraakdatum: 29 juli 2007
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[eiser], wonende te [plaatsnaam], verzoeker,
en
de ontvanger van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Tilburg, verweerder
Verweerder worden hierna aangeduid als ontvanger.
1.Ontstaan en loop van het geding.
De ontvanger heeft aan verzoeker bij brief van 4 januari 2007 medegedeeld de teruggaaf omzetbelasting over het tijdvak derde kwartaal 2006 tot een bedrag van € 8763,00 te hebben verrekend met de aan verzoeker opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002. Tevens heeft de ontvanger aan verzoeker bij brief van 6 maart 2007 medegedeeld de teruggaaf omzetbelasting over het vierde kwartaal 2006 tot een bedrag van € 4297 te hebben verrekend met de aan verzoeker opgelegde aanslagen motorrijtuigenbelasting 2006, inkomstenbelasting 2002, premie WAZ 2003 alsmede inkomstenbelasting 2003.
Bij brief van 7 mei 2007, ingekomen bij de rechtbank op 9 mei 2007, heeft belanghebbende de rechtbank om een voorlopige voorziening verzocht. Verzoeker verzoekt om redressering van de verrekeningen en uitbetaling door de ontvanger van de verrekende bedragen.
2.Motivering
2.1. De bevoegdheid tot verrekening is geregeld in artikel 24 van Pro de Invorderingswet 1990.
2.2. Ingevolge artikel 26 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan – in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht – tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de rechtbank worden ingesteld, indien het betreft:
a. een belastingaanslag, waaronder begrepen de in artikel 15 van Pro de AWR voorgeschreven verrekening, of
b. een voor bezwaar vatbare beschikking.
2.3. De onderhavige kennisgevingen zijn geen voor bezwaar vatbare beschikkingen als hiervoor bedoeld.
2.4. Voorts kan ingevolge artikel 8:5, eerste lid van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij die wet behoort. De Invorderingswet 1990 is opgenomen in laatstgenoemde bijlage.
2.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen staat geen beroep op de belastingrechter dan wel de bestuursrechter open tegen de onderhavige verrekeningen. De rechtbank is mitsdien kennelijk onbevoegd, zodat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen. Geschillen met betrekking tot een verrekening als waarvan hier sprake is dienen te worden voorgelegd aan de civiele rechter.
2.6. Nu de onbevoegdheid van de voorzieningenrechter evident is, kan ingevolge artikel 8:83, derde lid van de Awb uitspraak worden gedaan zonder dat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter doet dan ook mondeling uitspraak op grond van artikel 8:84, tweede lid, onderdeel a van de Awb.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan op 29 juni 2007 door mr. J.J.J. Engel, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Y. Kilic, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 2 juli 2007
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of beroep in cassatie open.