ECLI:NL:RBBRE:2007:BC0722
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden en matiging concurrentiebeding
De zaak betreft een geschil tussen Inisi B.V. en haar voormalige werknemer over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de toepassing van een concurrentiebeding. Beide partijen stelden dat de ander de arbeidsovereenkomst had opgezegd, maar de kantonrechter stelde vast dat de overeenkomst uiteindelijk met wederzijds goedvinden per 8 januari 2007 is beëindigd.
Inisi vorderde onder meer betaling van diverse bedragen wegens contractuele schendingen en een gebod om activiteiten als freelancer die in strijd zijn met het concurrentiebeding te staken. De kantonrechter wees de meeste vorderingen af, behalve enkele hoofdsommen wegens snelheidsovertreding en contractschending. Het gevorderde gebod om de concurrerende activiteiten te staken werd toegewezen tot 8 januari 2009.
Werknemer stelde dat het concurrentiebeding hem belemmerde om ander werk te vinden en vroeg om een vergoeding voor deze beperking. De kantonrechter oordeelde dat de werknemer onvoldoende had gemotiveerd en onderbouwd dat hij daadwerkelijk geen ander werk kon vinden en dat zijn stellingen te vaag waren. Daarom werd een vergoeding afgewezen.
De gevorderde dwangsom werd eveneens afgewezen omdat het arbeidscontract al een boetebeding bevatte dat voldoende prikkel biedt. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd bij vervroeging uitgesproken op 19 december 2007.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is met wederzijds goedvinden beëindigd en de werknemer is verplicht om concurrerende activiteiten te staken zonder vergoeding.