ECLI:NL:RBBRE:2007:BB9117
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.A. den Hartog
- Rechtspraak.nl
Toepassing en proportionaliteit van keuzeregeling buitenlandse belastingplichtigen in Nederland
Belanghebbende, woonachtig in België met Nederlandse nationaliteit, had haar gehele wereldinkomen in Nederland genoten en maakte geen gebruik van de keuzeregeling voor binnenlandse belastingplichtigen zoals opgenomen in artikel 2.5 van de Wet IB 2001. De inspecteur had daarom bepaalde persoonsgebonden aftrekposten niet in aftrek toegelaten en een hogere aanslag opgelegd.
De rechtbank onderzocht of de keuzeregeling een juiste codificatie vormt van het Schumacker-arrest van het Europese Hof van Justitie en of de aan de regeling verbonden voorwaarde van het indienen van een schriftelijk verzoek proportioneel en in overeenstemming met Europees recht is. De rechtbank concludeerde dat dit het geval is, met name in situaties waarin het gehele wereldinkomen in Nederland wordt genoten.
Daarnaast werd geoordeeld dat de sanctiebepaling van artikel 2.5 lid 3 Wet IB 2001 niet van toepassing was op de door belanghebbende opgegeven persoonsgebonden aftrekposten. Ook een beroep op het belastingverdrag tussen Nederland en België bood geen soelaas, omdat de betreffende aftrekposten niet onder de relevante bepalingen vielen.
De rechtbank stelde voorts vast dat belanghebbende recht had op een correctie van de gecombineerde heffingskorting, waardoor de aanslag werd verminderd. De inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht werd aan belanghebbende vergoed.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting wordt verminderd en de inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten.